Octrooihouder ingetrokken octrooi veroordeeld in proceskosten nietigheidsprocedure

05-04-2018 Print this page
IEPT20180404, Rb Den Haag, Vita v Ivoclar
(Met dank aan Theo Blomme en Leon Dijkman, Hoyng Rokh Monegier)

Octrooihouder is "in ongelijk gestelde partij" in nietigheidsprocedure, waarin zij afstand heeft gedaan van Nederlandse deel van octrooi vóór eerste rolzitting: met afstand in feite erkend dat Vita gelijk aan haar zijde heeft, Vita had op moment van dagvaarden belang bij nietigheidsvordering en daarmee gepaarde werkzaamheden waren al verricht, op dag voordat Vita zaak moest aanbrengen was afstand Ivoclar van octrooi haar nog niet bekend. Artikel 1019h Rv toepasselijk door vooruitgeschoven niet-inbreukverweer: Ivoclar heeft aangegeven rechten in “any country that we deem appropriate” te handhaven. Kosten m.b.t. geschilpunt over de proceskosten begroot volgens liquidatietarief.

 

OCTROOIRECHT - IE-HANDHAVING

 

Partijen vervaardigen onder meer tandprotheses. Ivoclar is houdster van EP 960 voor “Lithium silicate materials”. Vita heeft tegen de verlening van het octrooi oppositie ingesteld. De Oppositie Afdeling heeft het octrooi herroepen. Ivoclar heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij akte van 12 augustus 2016, dus na het uitbrengen van de dagvaarding (van 29 juni 2016)en vóór de eerste rolzitting, heeft Ivoclar afstand gedaan van het Nederlandse deel van EP 960. De hiervoor vereiste akte is op 23 augustus ingeschreven in het octrooiregister. Vita vorderde vernietiging van het octrooi, maar heeft deze vordering ingetrokken. Thans vordert zij alleen nog een artikel 1019h Rv proceskostenveroordeling. Volgens Ivoclar moet Vita in de proceskosten worden veroordeeld, omdat zij Ivoclar rauwelijkse heeft gedagvaard. Ook zou zij misbruik van procesrecht hebben gemaakt door het instellen en (volledig) doorzetten van niet-toewijsbare en daarom evident ongegronde vorderingen.

 

De rechtbank oordeelt dat Ivoclar in deze zaak als ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Door het doen van afstand van het octrooi heeft zij in feite erkend dat Vita het gelijk aan haar zijde heeft. Ook heeft Vita succesvol bestreden dat zij een dag voordat zij de zaak moest aanbrengen volgens het VRO-regime op de hoogte was van dat Ivoclar afstand van het octrooi had gedaan. Artikel 1019h Rv wordt van toepassing geacht op de zaak, omdat sprake is van een vooruitgeschoven niet-inbreukverweer. De kosten die zijn gemaakt met betrekking tot het resterende geschilpunt, de proceskosten, worden echter volgens het liquidatietarief begroot.

 

IEPT20180404, Rb Den Haag, Vita v Ivoclar

 

ECLI:NL:RBDHA:2018:3857