HvJEU over het begrip "nadeel bij de mededinging” in de zin van artikel 102, tweede alinea, c, VWEU
24-04-2018 Print this page
Uitleg begrip “nadeel bij de mededinging” (artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU: wanneer onderneming met machtspositie discriminerende prijzen toepast op handelspartners op stroomafwaartse markt en deze gedraging verstoring van mededinging tussen handelspartners tot gevolg kan hebben. Voor vaststelling “nadeel bij de mededinging” geen bewijs van daadwerkelijke en kwantificeerbare verslechtering mededingingspositie vereist, maar analyse van alle relevante omstandigheden van concrete geval vereist die de slotsom rechtvaardigen dat die gedraging invloed heeft op de kosten, winsten, of enig ander relevant belang van een of meer van voornoemde partners, zodat deze gedraging die mededingingspositie kan aantasten.
Samenvatting van minbuza.nl voor feiten en het verloop van de procedure: "Verzoekster is aanbieder van elektronische communicatiediensten. Zij heeft in 2014 een klacht ingediend bij verweerster (de Portugese mededingingsautoriteit ‘PMa’) tegen GDA, een organisatie zonder winstoogmerk voor collectief beheer van naburige rechten van artiesten (en de enige die in Portugal op dat gebied actief is) die zij misbruik van machtspositie verwijt. GDA biedt in het bijzonder diensten aan degenen die gebruik willen maken van werken van het repertoire van de aangesloten leden. Het gaat om ‘wholesale’diensten voor de collectieve exploitatie van naburige rechten waarbij GDA een monopoliepositie inneemt, en in deze zaak met name om de ‘retail’dienst voor abonnementen op televisiesignalen waar verzoekster aanbieder van is: zij heeft het grootste marktaandeel op het gebied van contracten met consumenten voor pakketten. Verzoekster verwijt GDA verschillende tarieven voor haar diensten op haar en haar directe concurrenten toe te passen.
De verwijzende Portugese rechter stelt vast dat het besluit om niet te vervolgen is gemotiveerd met verwijzing naar de conclusies van de AG in C-95/04 P en C-109/10 P maar dat het HvJEU niet alle concrete discriminerende gevolgen rechtens heeft beoordeeld. In onderhavige zaak is bewezen dat verzoeksters concurrentiepositie is aangetast door het gedrag van GDA. Hij heeft dan ook nadere uitleg nodig van VWEU artikel 102.c om twijfel weg te nemen of hier sprake is van benadeling/verstoring.”
Met zijn vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip "nadeel bij de mededinging” in de zin van artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het een analyse vereist van de concrete gevolgen van de toepassing van gedifferentieerde prijzen door een onderneming met een machtspositie voor de concurrentiepositie van de betrokken onderneming, en of – in voorkomend geval – rekening moet worden gehouden met de ernst van deze gevolgen.
Naar het oordeel van het Hof dient het begrip „nadeel bij de mededinging” in de zin van artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU worden uitgelegd dat het, in het geval waarin een onderneming met een machtspositie discriminerende prijzen toepast op haar handelspartners op de stroomafwaartse markt, ziet op de situatie waarin deze gedraging een verstoring van de mededinging tussen deze handelspartners tot gevolg kan hebben. Voor de vaststelling van een dergelijk "nadeel bij de mededinging” is geen bewijs van een daadwerkelijke en kwantificeerbare verslechtering van de mededingingspositie vereist, maar die vaststelling moet worden gebaseerd op een analyse van alle relevante omstandigheden van het concrete geval die de slotsom rechtvaardigt dat die gedraging invloed heeft op de kosten, winsten, of enig ander relevant belang van een of meer van voornoemde partners, zodat deze gedraging die mededingingspositie kan aantasten.
“24 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het specifieke discriminatieverbod van artikel 102, tweede alinea, onder c), VWEU tot doel heeft te verzekeren dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst. Het commerciële gedrag van de onderneming met een machtspositie mag de mededinging op een stroomopwaartse of stroomafwaartse markt, dat wil zeggen de mededinging tussen leveranciers of tussen afnemers van deze onderneming, niet vervalsen. De medecontractanten van deze onderneming mogen geen voordeel of nadeel ondervinden bij de mededinging die zij onderling voeren (arrest van 15 maart 2007, British Airways/Commissie, C‑95/04 P, EU:C:2007:166, punt 143). Het is aldus niet noodzakelijk dat de onrechtmatige gedraging effect heeft op de concurrentiepositie van de onderneming met een machtspositie zelf, op dezelfde markt waarop zij actief is en ten opzichte van haar eventuele eigen concurrenten.
31. Bij het verrichten van het concrete onderzoek als bedoeld in punt 28 van het onderhavige arrest, dient de mededingingsautoriteit of de bevoegde nationale rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval dat aan hem is voorgelegd. Het staat een dergelijke mededingingsautoriteit of rechter vrij om in deze context de machtspositie van de onderneming, de onderhandelingsmacht met betrekking tot de tarieven, de voorwaarden en de modaliteiten waaronder deze worden opgelegd, hun duur en hun hoogte, te beoordelen, alsmede het eventuele bestaan van een strategie die erop gericht is een van haar handelspartners, die minstens zo efficiënt is als zijn concurrenten, uit de stroomafwaartse markt te verdrijven (zie naar analogie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
IEPT20180419, HvJEU, Meo v Autoridade da Concorrencia