Geen opheffing/opschorting/verlaging dwangsom (artikel 611d Rv) die is verbeurd wegens niet voldoen aan veroordeling tot vernietiging tapijten (uit IEPT20161019): onjuiste opgave gedaan, onvoldoende inspanning betracht om te achterhalen wat er met 8 tapijten is gebeurd die mee zijn geweest naar MOW-beurs in Duitsland. Reconventie: opheffing conservatoir beslag derdenrekening advocaat De Poortere.
Bij vonnis van 19 oktober 2016 (IEPT20161019) heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat het Design Patchwork 1 van By-Boo inbreuk maakt op de patchwork tapijten van De Poortere. Er werd een dwangsom van € 5.000 per overtreding opgelegd met een maximum van € 100.000. De Poortere heeft bij exploot van 23 december aan By-Boo aangezegd dat zij de veroordeling sub 5.6 heeft overtreden door na te laten om de twintig in voorraad gehouden inbreukmakende tapijten te vernietigen binnen de gegeven termijn, waardoor 20x de dwangsommen van € 5.000 is verbeurd. Vervolgens is bevel gedaan aan By-Boo tot betaling van € 100.000 aan dwangsommen. Ter verkrijging van betaling van de dwangsom is executoriaal beslag laten leggen onder de afnemers van By-Boo. By-Boo heeft op haar beurt bankgarantie gesteld voor een totaalbedrag van € 105.000 ten gunste van De Poortere om de executie bij haar afnemers te voorkomen. De bankgarantie is op 22 maart 2017 uitgekeerd op de derdenrekening van de advocaat van De Poortere, op welke datum By-Boo conservatoir beslag heeft laten leggen onder die derdenrekening. By-Boo vordert nu opheffing van de dwangsomveroordeling, omdat zij in onmogelijkheid zou verkeren om aan het vonnis te voldoen in de zin van artikel 611 Rv. In voorwaardelijke reconventie vordert De Poortere onmiddellijke opheffing van het derdenbeslag.
De rechtbank overweegt dat het bij de vraag of sprake is van onmogelijkheid in beginsel gaat om feiten en omstandigheden die zich na de hoofdveroordeling. Wat er ook van zij van hetgeen By-Boo heeft aangevoerd met betrekking tot de afvoer van tapijten voorafgaand aan het veroordelend vonnis, is de rechtbank van oordeel dat By-Boo na het veroordelend vonnis in ieder geval niet de hiervoor bedoelde inspanning en zorgvuldigheid heeft betracht. Ten eerste is niet op zorgvuldige wijze invulling gegeven aan de onder 5.2 van het vonnis bepaalde verplichting om opgave te doen. Er werd eerst opgegeven dat er 21 geretourneerde tapijten waren, waarvan de advocaat één bewijsexemplaar heeft meegenomen, maar ter comparitie is door By-Boo aangegeven dat slechts 13 tapijten retour zijn ontvangen. Dit terwijl de opgaaf leidend was voor De Poortere om te controleren of By-Boo het bevel tot vernietiging op de juiste wijze zou opvolgen en dat zij daarom bij het opstellen ervan de uiterste zorgvuldigheid diende te betrachten.
Ook is onvoldoende inspanning betracht door By-Boo om te achterhalen wat er met de 8 tapijten is gebeurd die mee zijn geweest naar de MOW-beurs in Duitsland. Het ter zitting gedane bewijsaanbod om dat alsnog uit te zoeken is niet relevant voor het oordeel dat By-Boo onvoldoende inspanningen heeft verricht om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De vorderingen worden afgewezen.
Nu de vorderingen in conventie zijn afgewezen is de voorwaarde van de reconventionele vordering in vervulling gegaan. De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van het beslag toe. Nu de dwangsom niet wordt opgeheven/opgeschort/verlaagd en het veroordelend vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is de ondeugdelijkheid van het door By-Boo ingeroepen recht gebleken.
IEPT20180425, Rb Den Haag, By-Boo v De Poortere