Proceskosten zuivere IE-kwestie in octrooizaak begroot volgens indicatietarieven in IE-zaken

Print this page 08-06-2018
IEPT20180605, Hof Den Haag, High Point v KPN

Betoog over geldigheid octrooi in ruime vorm en hulpverzoeken achterhaald: bestaat niet meer door centrale beperking en wordt krachtens artikel 68 EOV geacht nooit te hebben bestaan, octrooi verder beperkt dan de hulpverzoeken. Betoog over octrooi in beperkte vorm strijdig met goede procesorde: centraal beperkte conclusies nagenoeg identiek aan door hof bij tussenarrest (IEPT20151103) geweigerde conclusies, beslissing door verwerping cassatieklachten onherroepelijk geworden en zou worden omzeild door het toestaan van debat over geldigheid, met beroep op beperkte conclusies wordt nieuw debat over geldigheid octrooi geopend, waarvoor in beginsel geen plaats is, beroep op octrooi in beperkte vorm had veel eerder kunnen worden gedaan. Bezwaren High Point tegen proceskosten eerste aanleg KPN gepasseerd wegens strijd met twee-conclusie-regel. Indicatietarieven in IE-zaken (normale bodemzaak) naar analogie toegepast op proceskosten na cassatie en incidenteel beroep, waarin uitsluitend processuele vragen aan de orde waren: € 20.000 voor proceskosten na cassatie en € 20.000 voor proceskosten incidenteel beroep.

 

OCTROOIRECHT - PROCESKOSTEN

 

Vervolg op het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2017 (IEPT20170915), waarin de Hoge Raad het principale en incidentele beroep tegen het tussenarrest van het hof Den Haag van 3 november 2015 (IEPT20151103) heeft verworpen. Het hof oordeelde in het laatstgenoemde arrest dat geen plaats meer was voor nieuwe octrooiconclusies in het hoger beroep, aangezien die een nieuw feit opleveren en daarmee strijdig zijn met de twee-conclusie-regel.

 

Het hof oordeelt dat het betoog over de geldigheid van het octrooi in ruime vorm achterhaald is, omdat het octrooi niet meer in ruime vorm bestaat en, gelet op artikel 68 EOV, geacht moet worden nooit in die ruime vorm te hebben bestaan. Het betoog van High Point in de memorie van grieven over het octrooi in ruime vorm kan dus worden gepasseerd. Hetzelfde geldt voor het debat over de geldigheid van het octrooi conform de hulpverzoeken die bij memorie van grieven naar voren zijn gebracht. De centrale beperking van het octrooi gaat namelijk verder dan de hulpverzoeken, waardoor ook het debat over de hulpverzoeken is achterhaald.

 

Het betoog over het octrooi in beperkte vorm is echter strijdig met de goede procesorde, aangezien de centraal beperkte conclusies op enkele redactionele aanpassingen na identiek zijn aan de gewijzigde conclusies die High Point op 29 mei 2015 bij akte naar voren heeft gebracht en die het hof bij het tussenarrest heeft geweigerd. Dit wegens strijd met de twee-conclusie-regel. Deze beslissing is gelet op het arrest in cassatie onherroepelijk geworden. Het toestaan van het debat over de geldigheid van het octrooi in beperkte vorm zou tot gevolg hebben dat High Point de beslissing feitelijk kan omzeilen, hoewel de gronden voor de weigering van dat debat onverminderd gelden. Het hof merkt vervolgens op dat het probleem nog altijd is dat High Point met het beroep op de beperkte conclusies in een laat stadium van de procedure een nieuw debat over de geldigheid van het octrooi opent, hetgeen een nieuwe memoriewissel zou vereisen, waarvoor in deze procedure in hoger beroep in beginsel geen plaats is. Daarnaast had High Point het betoog dat het octrooi in beperkte vorm geldig is, veel eerder naar voren kunnen brengen. Dat de beperking pas recent heeft plaatsgevonden is niet beslissend, omdat High Point er zelf voor heeft gekozen de beperking pas in een laat stadium van de procedure in te dienen bij het EOB. Ook is het voor het betoog dat het octrooi in beperkte vorm geldig niet vereist dat het octrooi centraal beperkt is.

 

De bezwaren die High Point heeft tegen de proceskosten in eerste aanleg van KPN worden gepasseerd wegens strijd met de twee-conclusie-regel, aangezien in de memorie van grieven geen grief tegen de hoogte van de kostenveroordeling te lezen is.

 

De bezwaren tegen kosten van het principale beroep t/m 17 september 2015 moeten buiten beschouwing blijven, omdat het hof partijen in de gelegenheid had gesteld om de kosten na cassatie op te voeren en daarop te reageren. Het bezwaar van High Point dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om op de kosten van KPN te reageren gaat niet op, omdat zij bij akte eisvermindering proceskosten van 17 september 2015 naar voren heeft gebracht dat het tot dan toe door KPN gevorderde bedrag van ongeveer € 400.000,- plus de kosten van de laatste twee weken (samen € 507.307,87), ‘niet onredelijk veel meer’ was dan het bedrag van € 320.000,- plus de kosten van de laatste twee weken dat High Point zelf vorderde na vermindering van haar eis en dat High Point – zelfs zonder specificatie van die kosten – redelijk achtte. High Point heeft zich dus over de kosten uitgelaten en het hof gaat er daarom vanuit dat High Point vindt dat de door KPN gevorderde kosten voor de procedure in hoger beroep tot en met 17 september 2015 niet onredelijk zijn.

 

Het hof past de indicatietarieven in IE-zaken naar analogie toe op de proceskosten na cassatie en van het incidenteel beroep, aangezien daarin uitsluitend processuele vragen aan de orde waren. Zowel de proceskosten voor de procedure als de proceskosten van het incidentele beroep worden aan de hand van het indicatietarief voor een normale bodemzaak betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten begroot op € 20.000.

 

IEPT20180605, Hof Den Haag, High Point v KPN

 

ECLI:NL:GHDHA:2018:1271