Schrappen instandhoudingsvereiste uit artikel 21 lid 3 (oud) BTMW doet vervallen auteursrecht niet herleven
23-07-2018 Print this page
Schrappen artikel 21 lid 3 (oud) BTMW heeft niet tot gevolg dat auteursrecht op werk van toegepaste kunst dat is vervallen wegens niet tijdig afleggen instandhoudingsverklaring, herleeft: uit antwoorden op aan HvJEU gestelde prejudiciële vragen (IEPT20161020) volgt dat beslist moet worden op grond van het autonome Benelux-recht, een overgangsrechtelijke bepaling ontbreekt in het Protocol houdende wijziging BTWM, Gemeenschappelijk Commentaar geeft evenmin uitsluitsel, hieruit moet gelet op de betekenis die toekomt aan de beginselen van billijkheid en rechtszekerheid worden afgeleid dat aan de wijziging van de BTMW geen terugwerkende kracht toekomt.
De kern van het onderliggende geschil is een gestelde inbreuk op het auteursrecht op eetkamerstoelen. Het modelrecht op deze werken van toegepaste kunst is komen te vervallen in 1993, toen het inmiddels geschrapte instandhoudingsvereiste uit artikel 21 lid 3 van de Benelux Tekeningen en Modellen Wet (BTMW) nog gold (inhoudende dat het met het vervallen van het modelrecht het auteursrecht ook vervalt, tenzij de modelhouder verklaart dit in stand te willen houden). Van een dergelijke verklaring is in deze zaak geen sprake zodat het auteursrecht van Montis naar toenmalig Nederlands recht is komen te vervallen. Montis stelt dat haar auteursrecht als gevolg van het vervallen van het instandhoudingsvereiste met terugwerkende kracht is herleefd. De Hoge Raad stelde in dit kader prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof, dat op haar beurt vragen stelde aan het Hof van Justitie.
Uit de antwoorden van het HvJ (IEPT20161020) blijkt volgens het Benelux-Gerechtshof dat het antwoord op de door de Hoge Raad gestelde vragen dient te worden gegeven op de grondslag van het autonome Benelux-recht. Het Benelux-Gerechtshof overweegt dat bij de totstandkoming van het Protocol van 20 juni 2002 houdende wijziging van BTMW geen uitdrukkelijke keuze is gemaakt. Anders dan het geval is met de wijziging van de geldingsduur van een inschrijving, waaraan terugwerkende kracht wordt toegekend, bevat het Protocol met betrekking tot de afschaffing van de artikelen 21 en 24 BTMW (oud) geen overgangsrechtelijke bepaling. Het Gemeenschappelijk Commentaar van de regeringen de Benelux-landen geeft evenmin uitsluitsel over de vraag welk overgangsrechtelijk regiem is beoogd met betrekking tot auteursrechten die voorafgaand aan de de schrapping zijn vervallen door het niet afleggen van een instandhoudingsverklaring.
Tegen de achtergrond van hetgeen in r.o. 10 van het tussenarrest is overwogen - het Benelux-Gerechtshof overwoog daar dat betekenis toekomt aan hetgeen in BenGH MAG v Edco (IEPT20130215) is overwogen omtrent met name het beginsel van billijkheid en rechtszekerheid voor degene die onder voorheen bestaande regelgeving rechtmatig een gedraging is gaan verrichten die onder de nieuwe regelgeving inbreukmakend is - moet uit het ontbreken van een overgangsrechtelijke bepaling met betrekking tot de schrapping van de artikelen 21 en 24 BTMW (oud) en het stilzwijgen van het Gemeenschappelijk Commentaar daaromtrent worden afgeleid dat aan deze wijziging van de BTMW geen terugwerkende kracht toekomt, zo concludeert het Benelux-Gerechtshof.
Deze uitspraak wordt besproken in de volgende webinars: