HR in Maancakeblikken-zaak: hof ten onrechte de vordering tot terugbetaling niet in dictum toegewezen

Print this page 03-12-2018
IEPT20181130, HR, Maxims

Middel in principaal beroep, dat klaagt over de vaststelling van het hof dat het auteursrecht op de vormgeving van de maancakeblikken bij verweerster rust, faalt: nu de klachten van het middel niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeft dit geen nadere motivering (art. 81 RO). Onderdeel 1 van het middel in het incidenteel beroep, dat met diverse klachten op komt tegen de begroting door het hof van de advocaatkosten in eerste aanleg op een bedrag van € 8.000, faalt: nu de klachten van het middel niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeft dit geen nadere motivering (art. 81 RO). Onderdeel 2, dat klaagt dat het hof de vordering tot terugbetaling van het bedrag dat verweerster uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg heeft voldaan in het dictum niet heeft toegewezen, terwijl het hof deze wel toewijsbaar acht: In het dictum ontbreek inderdaad veroordeling conform het door het hof in rov. 3.11 overwogene.

 

HANDHAVING - PROCESRECHT

 

Cassatie tegen uitspraken van het Hof Amsterdam, IEPT20170627, inzake het auteursrecht op de vormgeving van maancakeblikken, waarin een inbreukverbod werd afgewezen en een verklaring voor recht dat inbreuk op het auteursrecht wel werd toegewezen. Eiseres heeft beroep in cassatie ingesteld. Verweerster heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

 

Het middel in principaal beroep klaagt over de vaststelling van het hof dat het auteursrecht op de maancakeblikken bij verweerster berust. Dit middel faalt. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten van het middel niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

 

Onderdeel 1 van het middel in het incidenteel beroep komt met diverse klachten op tegen de begroting door het hof van de advocaatkosten in eerste aanleg op een bedrag van € 8.000,- Het onderdeel faalt. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Onderdeel 2 slaagt wel. Het onderdeel klaagt dat het hof de vordering tot terugbetaling van het bedrag dat verweerster uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg heeft voldaan in het dictum niet heeft toegewezen, terwijl het hof deze wel toewijsbaar acht. Verweerster is ontvankelijk in haar cassatieklacht aangezien zij ook andere klachten heeft aangevoerd., ondanks dat zij op grond van artikel 32 Rv het hof had kunnen verzoeken het dictum op dit punt aan te vullen.  In het dictum ontbreek inderdaad veroordeling conform het door het hof in rov. 3.11 overwogene, namelijk dat verweerster ten  onrechte in de kosten is veroordeeld en dat het vonnis op dat punt wordt vernietigd en dat wat verweerster uit dien hoofde heeft betaald, € 27.661,95, terugbetaald dient te worden.

 

Eiseres heeft niet bestreden dat het bovengenoemde bedrag is voldaan. De Hoge Raad kan dan ook zelf de zaak afdoen door eiseres te veroordelen tot terugbetaling van dat bedrag plus de wettelijke rente. 
De Hoge Raad wijst de helft van het liquidatietarief toe en wat onderdeel 2 betreft spreekt de Hoge Raad geen kostenveroordeling uit. Eiseres heeft immers het achterwege laten van een veroordeling niet uitgelokt of verdedigd.

 

De IEPT-versie volgt

 

ECLI:NL:HR:2018:2215