HvJEU over vereiste dat door beschermde geografische aanduiding beschermd product in zijn geografisch productiegebied wordt verpakt

Print this page 19-12-2018
IEPT20181219, HvJEU, Schwarzwalder Schinken

Vereiste dat een door een beschermde geografische aanduiding beschermd product in zijn geografisch productiegebied wordt verpakt, is gerechtvaardigd ex artikel 4(2)(e) Vo bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, indien dit een noodzakelijke en evenredige voorwaarde is voor het behoud van de kwaliteit van het product, het waarborgen van de oorsprong ervan of het verzekeren van de controle van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding. Nationale rechter moet beoordelen of dit vereiste naar behoren is gerechtvaardigd door een van deze doelstellingen met betrekking tot de beschermde geografische aanduiding „Schwarzwälder Schinken.

 

GEOGRAFISCHE OORSPRONGSBENAMING

 

S heeft het Deutsches Patent- und Markenamt (DPMA) verzocht om op grond van artikel 9 van de Vo bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen een aantal wijzigingen van het productdossier betreffende de beschermde oorsprongsbenaming “Schwarwälder Schinken” (die ziet op ham afkomstig uit het gebied van het Zwarte Woud) gevraagd. Tegen het nieuwe verzoek dat S op 13 februari 2007 heeft ingediend werden drie opposities ingesteld. Een van de opposanten betrof EC, een grote verdelen van producten op basis van vlees die thans de “Schwarzwälder Schinken” in plakken snijdt en verpakt buiten het productiegebied. Het DPMA wees het verzoek tot wijziging af voor zover het ging om aanwijzingen over het in plakken snijden en het verpakken, omdat het strijdig zou zijn met de verordening. De zaak belandt uiteindelijk bij het Bundesgerichthof die een aantal prejudiciële vragen heeft gesteld.

 

Het Hof van Justitie EU beantwoordt de vragen als volgt:

 

Artikel 4, lid 2, onder e), van verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen, juncto artikel 8 van verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie van 14 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 510/2006, en artikel 7, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen moeten aldus worden uitgelegd dat het vereiste dat een door een beschermde geografische aanduiding beschermd product in zijn geografisch productiegebied wordt verpakt, is gerechtvaardigd overeenkomstig het voornoemde artikel 4, lid 2, onder e), indien dit een noodzakelijke en evenredige voorwaarde is voor het behoud van de kwaliteit van het product, het waarborgen van de oorsprong ervan of het verzekeren van de controle van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of dit vereiste naar behoren is gerechtvaardigd door een van de bovengenoemde doelstellingen met betrekking tot de beschermde geografische aanduiding „Schwarzwälder Schinken”.

 

De IEPT-versie volgt.

 

C-367/17 - ECLI:EU:C:2018:1025