Vordering tot zekerheidsstelling op grond van artikel 224 Rv voor proceskosten aan de zijde van eiser afgewezen

26-03-2020 Print this page
IEPT20190206, Rb Den Haag, Havensluis

Vordering tot zekerheidsstelling op grond van artikel 224 Rv voor proceskosten aan de zijde van eiser afgewezen: vordering in incident ingesteld door Havensluis B.V. c.s, eiser in hoofdzaak  heeft een Turkse nationaliteit en uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv doet zich voor. Ingevolge artikel 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waarbij onder meer Nederland en Turkije verdragsluitende staten zijn, kan geen zekerheidsstelling worden opgelegd aan onderdanen van één van de verdragsluitende staten, die in één van die staten hun verblijfplaats hebben.

 

PROCESRECHT

 

Incident. Havensluis B.V. c.s. vordert – samengevat – dat [eiser in hoofdzaak] wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten van Havensluis B.V. c.s. door betaling van een bedrag van €40.936. Volgens Havensluis B.V. c.s. is eiser in hoofdzaak een partij zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland en daarom op grond van artikel 224 lid 2 Rv op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor proceskosten waarvan zij in procedure veroordeeld kunnen worden.

 
De rechtbank wijst deze vordering in incident af. Uit artikel 224 lid 1 Rv  volgt dat gelet op de woonplaats van [eiser] hij in beginsel gehouden is om zekerheid te stellen. [eiser] stelt evenwel dat de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv zich voordoet. Het beroep op deze uitzondering slaagt. Ingevolge artikel 17 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waarbij onder meer Nederland en Turkije verdragsluitende staten zijn, kan geen zekerheidsstelling worden opgelegd aan onderdanen van één van de verdragsluitende staten, die in één van die staten hun verblijfplaats hebben. [eiser] stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft, zodat deze uitzondering op hem van toepassing is. 

 

IEPT20190206, Rb Den Haag, Havensluis

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:2016