Inbreuk op auteursrecht dagboek moeder Vaatstra

Print this page 19-06-2019
IEPT20190212, Hof Amsterdam, Artikelen over moeder Vaatstra

Appellant heeft inbreuk op recht op eerbiediging persoonlijke levenssfeer moeder Vaatstra gemaakt: geïntimeerde heeft appellant meermaals duidelijk gemaakt geen contact meer te willen, maar appellant bleef haar opnieuw benaderen. Appellant heeft inbreuk gemaakt op auteursrecht geïntimeerde door fragmenten uit haar dagboek zonder toestemming te gebruiken en te publiceren. Inbreuk op goede naam en eer geïntimeerde door haar niet-authentieke uitingen in de mond te leggen passende bij zijn theorie op moord Marianne.

 

PUBLICATIE

 

Geïntimeerde is de moeder van de in 1999 vermoorde Marianne Vaatstra. [X] heeft bekend die moord te hebben gepleegd. [Appellant] heeft als privépersoon inspanning verricht om de moord op te lossen. Volgens zijn theorie is de moord niet gepleegd door [X] maar door een asielzoeker die na het plegen van het feit uit Nederland is vertrokken. Appellant draagt deze theorie, na de veroordeling van [X], nog steeds uit op zijn website en openbare Facebookpagina. Appellant en geïntimeerde hebben voor de veroordeling van [X] contact met elkaar onderhouden. Appellant heeft van een vriendin van geïntimeerde een kopie ontvangen van haar dagboek dat zij heeft bijgehouden tussen 1999 en 2013. De wens van appellant om uit dit dagboek te publiceren, heeft geleid tot rechtszaken waarin dat is verboden. Zo ook in het bestreden vonnis van 7 augustus 2017 (IEPT20170807). Appellant heeft in 2017 verschillende artikelen geplaatst, waarin tekstfragmenten zijn opgenomen uit het dagboek. Daarbij heeft appellant geïntimeerde meermaals e-mails gestuurd waarin hij zich uitlaat over zijn theorie met betrekking tot de moord op Marianne. Dit terwijl geïntimeerde heeft laten weten geen contact meer te willen en in het bestreden vonnis tevens een contactverbod is toegewezen. Geïntimeerde stelt zich op het standpunt dat appellant jegens haar onrechtmatig handelt door contact met haar te blijven zoeken, door het publiceren van artikelen met fragmenten uit haar dagboek en door haar niet-authentieke uitingen in de mond te leggen. 

 

Het hof oordeelt dat appellant ervan uit diende te gaan dat geïntimeerde geen contact meer met hem wenste. Door haar desondanks te blijven benaderen, heeft appellant inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van geïntimeerde. Daarbij heeft appellant inbreuk gemaakt op het auteursrecht van geïntimeerde door tekstfragmenten uit haar dagboek te publiceren. Appellant heeft hier geen toestemming voor gekregen van geïntimeerde. Door zich in een tweetal artikelen voor te doen als geïntimeerde en haar daarin niet-authentieke uitspraken in de mond te leggen, heeft appellant inbreuk gemaakt op het recht van geïntimeerde op bescherming van haar eer en goede naam. Ook is op dat recht inbreuk gemaakt door het te laten lijken alsof geïntimeerde enkel afstand heeft genomen van de theorie van appellant onder druk van haar familie. 

 

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat appellant de op hem rustende rechtsplichten heeft geschonden en door deze schending onrechtmatig heeft gehandeld jegens geïntimeerde. 

 

IEPT20190212, Hof Amsterdam, Artikelen over moeder Vaatstra

 

ECLI:NL:GHAMS:2019:349