Geen inbreuk op octrooi voor behandeling van borstkanker

Print this page 25-02-2019
IEPT20190220, Rb Den Haag, Roche v Mundipharma
(Met dank aan Daan de Lange, Jan Pot en Boukje van der Maazen, Brinkhof)

Product Herzuma maakt geen inbreuk op conclusie 1 van EP 455 dat samenstelling met een percentage zure varianten van minder dan 25% claimt: partijen zijn het erover eens dat percentage zure varianten in Herzuma ongeveer 33% is, door meetmethode niet in conclusie te specificeren zal vakman in eerste instantie begrijpen dat het in conclusies om absoluut percentage gaat, vakman zal dit ook begrijpen uit de beschrijving, vakman heeft geen reden om bepaalde zure varianten uit te sluiten. Aan octrooihouder te bieden billijke bescherming biedt geen soelaas, gelet op het absolute karakter van de conclusies, waarin welbewust geen analysemethode is gepreciseerd.

 

OCTROOIRECHT

 

Kort geding. Genentech heeft het biologische geneesmiddel Herceptin ontwikkeld voor de behandeling van borstkanker. De werkzame stof is trastuzumab. Genentech is houdster van octrooi EP 455 voor “A composition comprising anti-HER2 antibodies”. Celltrion ontwikkelt onder meer biosimilars. Dit zijn alternatieve biologische geneesmiddelen die hetzelfde farmacologische profile hebben als het referentieproduct. Zij heeft een trastuzumab biosimilar ontwikkeld onder de merknaam Herzuma. Binnen Europa is EP 455 het onderwerp (geweest) van verschillende procedures tussen enerzijds Genentech en/of Hoffman-La Roche en anderzijds Celltrion en/pf Mundipharma of andere aanbieders van biosimilars van trastuzumab wegens (niet-)inbreuk op EP 455 (zie rov. 2.15 van het vonnis). Roche c.s. vordert een inbreukverbod in Nederland. Bij de productie van trastuzumab ontstaat niet alleen het gewenste oorspronkelijke proteïne, maar ook varianten daarvan. Er zijn verschillende varianten, die meer neutraal, basisch of zuur kunnen zijn. De uitvinders van het Octrooi hebben vastgesteld dat de samenstelling van rhuMAbHER2, die al een eerste (CSx) chromatografie zuivering had ondergaan, ongeveer 25% aan gedeamideerde varianten en andere zure varianten bevatte. In het Octrooi staat beschreven hoe een verbeterde zuiverheid kan worden bereikt. Het octrooi stelt een samenstelling onder bescherming waarin – kort gezegd – het aantal zure varianten verder wordt gereduceerd en minder dan ongeveer 25% zure varianten bevat. Mundipharma betwist dat bij Herzuma sprake is van minder dan 25% zure varianten van trastuzumab, zoals conclusie 1 van het octrooi vereist en stelt dat daarom geen sprake zou zijn van inbreuk.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat Herzuma in werkelijkheid meer dan 25% zure varianten bevat (indien alle thans te onderscheiden zure varianten worden meegeteld. Dit blijkt uit het door Roche c.s. overgelegde Solvias rapport. Het percentage is ongeveer 33%. Hierdoor zou naar de letter geen sprake zijn van inbreuk op conclusie 1. Roche c.s. wil echter dat dit kenmerk van conclusie  1 niet naar de letter wordt gelezen, maar dat de waarde van 25% wordt gerelateerd aan de te gebruiken meetmethode en de vraag of die meetmethode op de prioriteitsdatum beschikbaar was. Concreet betekent dit dat de piek aangeduid met 3* uit het onderzoek van Solvias niet zou moeten worden meegeteld, waardoor niet op 33%, maar op 23,3% wordt uitgekomen. De voorzieningenrechter volgt deze lezing niet.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat met Roche c.s. kan worden aangenomen dat bij verschillende meetmethoden van de onzuiverheden inderdaad verschillende resultaten worden gevonden. Door evenwel de meetmethode juist niet in de conclusie te specificeren, zal een vakman in eerste instantie begrijpen dat het in de conclusies om een absoluut percentage gaat.  De gemiddelde vakman die de beschrijving raadpleegt zal ook concluderen dat een absoluut percentage bedoeld is. 

 

Roche c.s. stelt dat bij de zure variant van piek 3* deamidatie heeft plaatsgevonden in de zware ketens van het antilichaam, zodat die variant daarom niet relevant is voor het octrooi. De voorzieningenrechter begrijpt dat Roche c.s. daarmee bedoelt te stellen dat, omdat die deamidatie niet in een van de CDR’s heeft plaatsgevonden (en dus deze deamidatie de activiteit van het antilichaam niet zal aantasten), deze zure variant niet behoort te worden meegeteld. Daarmee verwisselt Roche c.s. evenwel dit kenmerk met daaropvolgende kenmerken waarin wordt voorgeschreven dat de 25% zure varianten voornamelijk bestaan uit gedeamideerde varianten en dat die deamidatie heeft plaatsgevonden op Asn30 in CDR1. Het is daarom duidelijk dat in het percentage van 25% zure varianten ook zure varianten voorkomen die geen deamidatie op Asn30 in CDR1 hebben, zodat de gemiddelde vakman geen reden zal hebben om bepaalde zure varianten uit te sluiten.

 

De aan de octrooihouder te bieden billijke bescherming biedt Roche c.s. geen soelaas, gelet op het absolute karakter van de conclusies, waarin welbewust geen analysemethode is gepreciseerd. Zij had dat kunnen doen door de analysemethode voor te schrijven of door bijvoorbeeld de mee te tellen zure varianten op die wijze te definiëren. Tijdens de verleningsprocedure en op het moment dat de conclusies (onbetwist) nog aangepast konden worden, wist Roche c.s. immers niet alleen reeds dat de in voorbeeld 1 van het Octrooi beschreven chromatografiekolom niet meer verkrijgbaar was c.q. niet meer aan de vereisten voldeed, maar ook dat er met nieuwe analysemethoden een aanvullende zure variant was gevonden.

 

De voorzieningenrechter concludeert dat een bescherming van het octrooi die zich uitstrekt tot samenstellingen met daadwerkelijk minder dan 25% zure varianten billijk is te achten en wijst de vorderingen van Roche c.s. af.

 

De IEPT-versie volgt.

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:1486