Cassatieberoep tegen oordeel dat kantoorpand aan de Schepenmakersdijk mag worden verbouwd verworpen

Print this page 29-03-2019
IEPT20190329, HR, De Vier Jaargetijden

(Met dank aan: Thijs van Aerde, Houthoff, Victor Bouman, Wieringa Advocaten en Tobias Cohen Jehoram, De Brauw Blackstone Westbroek)

Wijziging van een werk die moet worden aangemerkt als een aantasting van dat werk die tot reputatieschade kan leiden valt onder beschermingsbereik artikel 25(1)(d) Aw. Artikel 25(1)(c) Aw ziet op wijzigingen die geen afbreuk doen aan auteursrechtelijk beschermde trekken van een werk en voor wijzigingen in een werk die wel een aantasting opleveren maar niet tot reputatieschade kunnen leiden. Aan beoordeling van redelijkheid van verzet tegen een wijziging ex artikel 25(1)(c) Aw wordt pas toegekomen als van reputatieschade geen sprake kan zijn. Maker kan zich ex artikel 25(1)(d) Aw slechts tegen een aantasting van zijn werk verzetten, indien deze aantasting tot reputatieschade kan leiden, ook wanneer aantasting bestaat in een misvorming of verminking van dat werk. Geen ruimte voor nadere belangenafweging bij beroep op artikel 25(1)(d) Aw: in reputatieschadetoets ligt reeds een afweging tussen belangen maker en belangen van degene die werk willen wijzigen. Oordeel hof over aantasting Zuidgevel en Noordgevel bevat geen onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd.

 

AUTEURSRECHT

 

Cassatie tegen het arrest van het hof Amsterdam van 31 oktober 2017 (IEPT20171031), waarin werd geoordeeld dat het kantoorpand aan de Schepenmakersdijk mag worden verbouwd. Het beroep op de persoonlijkheidsrechter van de architect van het pand faalde. Zie ook het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 november 2016 (IEPT20161130). Het cassatieberoep wordt verworpen.

 

De Hoge Raad legt in deze zaak de verhouding tussen artikel 25(1) Aw onder c en artikel 25(1) Aw onder d uit aan de hand van artikel 6bis van de Berner Conventie. De Hoge Raad oordeelt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het huidige artikel 25 Aw volgt dat een wijziging in een werk die moet worden aangemerkt als een aantasting van dat werk die tot reputatieschade kan leiden, sinds de wijziging van artikel 6bis BC in 1948 onder het beschermingsbereik van artikel 25(1) onder d Aw valt. Artikel 25(1) onder c Aw ziet daarentegen op wijzigingen die geen afbreuk doen aan auteursrechtelijk beschermde trekken van een werk (en daarom geen aantasting van dat werk opleveren en evenmin tot reputatieschade kunnen leiden), en voor wijzigingen in een werk die wel een aantasting opleveren maar niet tot reputatieschade kunnen leiden. Daarom wordt aan de beoordeling van redelijkheid van verzet tegen een wijziging ex artikel 25(1) onder c Aw pas toegekomen als van reputatieschade geen sprake kan zijn. Of het verzet redelijk is moet worden beoordeeld aan de hand van alle overige omstandigheden van het geval. Indien het gaat om bouwwerken komt daarbij bijzonder gewicht toe aan de reden voor de wijziging, die veelal gelegen zal zijn in een wijziging van de bestemming of gebruiksfunctie van het bouwwerk.

 

Vervolgens wordt beoordeeld of de mogelijkheid van reputatieschade in artikel 25(1) onder d Aw bij een misvorming of verminking van een werk een afzonderlijke voorwaarde betreft of bij een zodanige misvorming of verminking is gegeven. De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van een afzonderlijke voorwaarde. De maker kan zich ex artikel 25(1) onder d Aw dus slechts tegen een aantasting van zijn werk verzetten, indien deze aantasting tot reputatieschade kan leiden, ook wanneer de aantasting bestaat in een misvorming of verminking van dat werk. De Hoge Raad oordeelt ook dat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging bij een beroep op artikel 25 (1) onder d Aw.  In de reputatieschadetoets ligt volgens de Hoge Raad reeds een afweging tussen de belangen van de maker en de belangen van degene die het werk willen wijzigen.

 

In het licht van de hiervoor uiteengezette uitleg van artikel 25 Aw oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof over de aantasting van de Zuidgevel en de Noordgevel geen onjuiste rechtsopvatting bevat, niet onbegrijpelijk is en niet onvoldoende is gemotiveerd.  

 

IEPT20190329, HR, De Vier Jaargetijden

 

ECLI:NL:HR:2019:451