Appelgrens van € 1.750 niet behaald met gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding van € 630

Print this page 27-06-2019
IEPT20190521, Hof Arnhem-Leeuwarden, SHF

Appelgrens van € 1.750 niet behaald met gevorderde verklaring voor recht van inbreuk op auteursrecht en schadevergoeding van € 630: verklaring voor recht vertegenwoordigt geen afzonderlijke waarde, gesteld ‘repeterend karakter’ van de verklaring voor recht niet relevant. Ook ex artikel 1019h Rv uitgesproken proceskostenveroordeling van € 3.000 zorgt er niet voor dat appelgrens is bereikt: bij vraag of appelgrens is bereikt wordt geen rekening gehouden met proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv voor zover de daarin vervatte kosten zien op proceskosten zoals bedoeld in artikel 237 Rv e.v., zoals kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kosten die voor inwerkingtreding Handhavingsrichtlijn op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking kwamen tellen wel mee voor appelgrens, niet gemotiveerd welk concreet bedrag mee dient te telen voor de appellabiliteit.

 

PROCESRECHT

 

Appellant heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat SHF inbreuk heeft gemaakt op zijn auteurs- en persoonlijksheidsrechten door de publicatie van een van zijn foto’s. Daarnaast vorderde hij een  schadevergoeding van € 630 en proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv. Bij vonnis van 4 juli 2018 (niet gepubliceerd) heeft de kantonrechter de vorderingen van toegewezen. SHF is hiertegen in hoger beroep gekomen. Appellant zich bij incidentele akte beroepen op de niet-ontvankelijkheid van SHF mdat de vorderingen waarover de rechter in eerste aanleg had te oordelen de wettelijke appelgrens van € 1.750 niet halen. Het hof oordeelt dat de appelgrens inderdaad niet is gehaald.

 

Artikel 332 lid 1 Rv bepaalt dat partijen in hoger beroep kunnen komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750 of - in geval van een vordering van onbepaalde waarde - er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750. De verklaring voor recht vertegenwoordigt volgens het hof in een geval als het onderhavige geen afzonderlijke waarde. Beide vorderingen hebben namelijk betrekking op dezelfde rechtsvraag, namelijk of SHF c.s. inbreuk heeft gemaakt op auteurs- en persoonlijkheidsrechten van Appellant en daarom aansprakelijk is. Daardoor valt de waarde van de verklaring voor recht van Appellant samen met het beloop van de vordering tot betaling van het bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 630. Het gestelde ‘repeterend karakter’ van de verklaring voor recht speelt volgens het hof geen rol.

 

Ook de proceskostenveroordeling van bijna € 3.000 die de kantonrechter in eerste aanleg op grond van artikel 1019h Rv heeft uitgesproken zorgt er niet voor dat de appelgrens is gehaald. Hoofdregel is dat bij beantwoording van de vraag of de appelgrens is bereikt, met de vordering tot veroordeling in de proceskosten geen rekening wordt gehouden.. Dit geldt volgens het hof ook voor de proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv voor zover de daarin vervatte kosten zien op proceskosten zoals bedoeld in artikel 237 Rv e.v., zoals kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. De proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv kan echter ook kosten omvatten die vóór de implementatie van de Handhavingsrichtlijn op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking kwamen. Indien dat het geval is, telt die component van de proceskostenveroordeling naar oordeel van het hof wel mee voor de beoordeling of de wettelijke appelgrens in hoger beroep is behaald. SHF heeft echter onvoldoende onderbouwd dat van dergelijke kosten sprake was. Dit leidt ertoe dat de appelgrens niet is bereikt.

 

IEPT20190521, Hof Arnhem-Leeuwarden, SHF

 

ECLI:NL:GHARL:2019:4432