Op verzoek van LRC gelegd conservatoir (derden)beslag niet opgeheven nu onvoldoende is ontzenuwd dat sprake is van ongeoorloofde parallelhandel

Print this page 13-06-2019
IEPT20190607, Rb Den Haag, Ocean Company v LRC
(Met dank aan Arnoud Martens, Ploum)

Op verzoek van LRC gelegd conservatoir (derden)beslag niet opgeheven: onvoldoende ontzenuwd dat  sprake is van ongeoorloofde parallelhandel.

 

HANDHAVING

 

In het onderhavige kort geding vordert groothandelaar Ocean Company dat het op verzoek van LRC - houdster van diverse Uniewoord- en beeldmerken met het teken DUREX - gelegde conservatoir (derden)beslag onder de Belastingdienst Douane en onder Mentrex op de beslagen condooms zal worden opgeheven. Ocean Company stelt dat LRC ten onrechte afgiftebesIag heeft gelegd omdat er geen sprake is van inbreuk op het door LRC ingeroepen artikel 9 UMVo.

 

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat Ocean Company onvoldoende heeft ontzenuwd dat sprake is van ongeoorloofde parallelhandel. De stelling dat geen sprake is van ongeoorloofde parallelhandel omdat de beslagen producten enkel vanuit Senegal naar Rotterdam zijn verscheept om in Rotterdam te worden vermengd met andere producten om vervolgens terug te worden verscheept naar Senegal, komt - alleen aI omdat het gaat om consumptiegoederen met een grote omloopsnelheid en een relatief geringe winstmarge - ongeloofwaardig voor, zo oordeelt de voorzieningenrechter.

 

Aan de stelling van Ocean Company dat LRC in de door haar geëntameerde bodemprocedure - verkort weergegeven - conform het Class International-arrest dient te bewijzen dot de beslagen producten bestemd waren voor de Europese Unie en dat LRC ter zake niets heeft aangevoerd, gaat de voorzieningenrechter voorbij. Zelfs al zou een dergelijke bewijslast in de bodemprocedure op LRC rusten is dat onvoldoende om in dit onderhavige opheffingskortgeding te kunnen oordelen dat aan de in artikel 705 Rv neergelegde toets is voldaan, zo oordeelt de voorzieningenrechter.

 

Nu Ocean Company voorshands onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te achten dat LRC jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, wordt ook de gevorderde exhibitie aan de hand van artikel 843a Rv afgewezen.

 

De IEPT-versie volgt.

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:5905