Is het Artiestenverloning-arrest ook van toepassing op deels beschrijvende handelsnamen? Prejudiciële vragen gesteld aan Hoge Raad

Print this page 20-06-2019
IEPT20190614, Hof Arnhem-Leeuwarden, DOC v Dairy Partners

Prejudiciële vragen aan Hoge Raad: 1. Gelden bij de toepassing van artikel 5 Handelsnaamwet nadere, niet in dat artikel genoemde vereisten indien de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden (in aanvulling op verwarringsgevaar) in geval van een louter beschrijvende handelsnaam? 2. Indien geen nadere vereisten gelden zoals onder (1) bedoeld, hoe dienen dan het (in meer of mindere mate) beschrijvende of niet onderscheidende karakter van de ingeroepen handelsnaam, en het algemene belang dat beschrijvende aanduidingen door een ieder vrij kunnen worden gebruikt, te worden betrokken in de toepassing van artikel 5 Handelsnaamwet?

 

HANDELSNAAMRECHT

 

Handelsnaamzaak tussen DOC Dairy partners en Dairy Partners. Hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2018.
De kantonrechter heeft in haar beschikking geoordeeld, dat anders dan DOC beweerde, dat de handelsnaam “Dairy Partners” niet uitsluitend beschrijvend is in relatie tot de diensten en producten van Dairy Partners. Gelet op het feit dat beide partijen vrijwel dezelfde producten aan de dezelfde klanten aanbieden, oordeelde de kantonrechter dat de naam DOC Dairy Partners tot directe verwarring tussen beide ondernemingen kan leiden. De kantonrechter heeft het subsidiaire verweer van DOC dat een inbreuk op artikel 5 Hnw niet rechtvaardigt dat het beschrijvende deel van de handelsnaam, namelijk Dairy wordt verboden, gehonoreerd. DOC Dairy Partners moet haar handelsnaam zo wijzigen dat daarin het woord Partners niet voorkomt.

 

DOC Is tegen de beschikking in beroep gekomen. Bij het hof rijzen vragen met betrekking tot de toepasbaarheid van het Artiestenverloningsarrest (IEPT20151211) op deze zaak. In het Artiestenverloning-arrest ging het om een louter beschrijvende domeinnaam, waar het hier gaat om een gedeeltelijk beschrijvende handelsnaam. In het Artiestenverloning-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het gebruik van een louter beschrijvende handelsnaam, ook indien verwarringwekkend, alleen onrechtmatig is indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen. In dit arrest ging het om domeinnamen, maar het hof heeft in Parfumswinkel-arrest (IEPT20170919), de geformuleerde regel ook van toepassing verklaard op louter beschrijvende handelsnamen.

 

Het hof vraagt zich nu af of het Artiestenverloningarrest op deze wijze moet worden geïnterpreteerd. In het Artiestenverloning-arrest refereert de HR aan de vrijhoudingsbehoefte zoals omschreven in arrest Bouwcentrum (IEPT19870508). In Bouwcentrum wordt de vrijhoudingsbehoefte afgezet tegen een door de oorspronkelijk eiser klaarblijkelijk ingeroepen recht zich te kunnen verzetten tegen verwatering, zelfs al zou er geen sprake zijn van verwarring. Deze verwijzing lijkt dus te zijn bedoeld om te illustreren dat de vrijhoudingsbehoefte ook is erkend in de context van het handelsnaamrecht. Daaruit volgt echter niet dat de redenering dat een louter beschrijvende domeinnaam alleen onrechtmatig kan zijn indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen, ook zou gelden in de context van artikel 5 HNW. Daarbij kan men zich afvragen of Artiestenverloning toe te passen is wanneer er al een wettelijk toetsingskader voorhanden is, namelijk artikel 5 Hnw.

 

Gezien het bovenstaande ziet het hof aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad:
1. Gelden bij de toepassing van artikel 5 Handelsnaamwet nadere, niet in dat artikel genoemde vereisten indien de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden (in aanvulling op verwarringsgevaar) in geval van een louter beschrijvende handelsnaam?
2. Indien geen nadere vereisten gelden zoals onder (1) bedoeld, hoe dienen dan het (in meer of mindere mate) beschrijvende of niet onderscheidende karakter van de ingeroepen handelsnaam, en het algemene belang dat beschrijvende aanduidingen door een ieder vrij kunnen worden gebruikt, te worden betrokken in de toepassing van artikel 5 Handelsnaamwet?

 

IEPT20190614, Hof Arnhem-Leeuwarden, DOC v Dairy Partners

 

ECLI:NL:GHARL:2019:5012