Vordering zekerheidstelling ex. art. 224 Rv afgewezen

Print this page 05-09-2019
IEPT20190814, Rb Den Haag, LRC v Ocean Company
(Met dank aan Timme Geerlof, Windt Le Grand Leeuwenburgh)

Vordering tot zekerheidstelling op grond van artikel 224 Rv voor proceskosten aan de zijde van eiser afgewezen: vordering ingesteld door eiser, die verblijfplaats in Nederland heeft, terwijl zekerheidsstelling 224 lid 1 Rv enkel openstaat voor gedaagde tegen buitenlandse eiser.

 

PROCESRECHT

 

LRC Products vordert – samengevat - dat Ocean company Afrique wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten aan de zijde van LRC Products tot een bedrag van € 40.000,- door middel van een onherroepelijke afroepgarantie afkomstig van een gerenommeerde Nederlandse bank op gebruikelijke voorwaarden, met veroordeling van Ocean Company Afrique in de kosten van dit incident ex artikel 1019Rv. De hoofdzaak ziet op gestelde merkinbreuk door Ocean Company Afrique, waarbij LRC de hoofdzaak heeft aangemerkt als een complexe merkinbreukprocedure.
Ocean Company Afrique is gevestigd in Senegal en heeft geen verblijf- of vestigingsplaats in Nederland. Volgens LRC is een partij zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland op grond van artikel 224 lid 2 Rv op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan zij in het kader van een civiele procedure veroordeeld zou kunnen worden.

 

De rechtbank wijst deze vordering in incident af. Uit artikel 224 lid 1 Rv volgt dat een vordering tot zekerheidstelling als bedoeld in dit artikel slechts openstaat voor de partij jegens wie bij een Nederlandse rechter een vordering wordt ingesteld – in dit geval dus Ocean Company – indien diens wederpartij – LRC Products – geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. LRC stelt nu zelf de vordering in en kan niet van de door haar gedaagde buitenlandse partij zekerheidstelling verlangen.

 

IEPT20190814, Rb Den Haag, LRC v Ocean Company

 

ECLI:NL:RBDHA:2019:8542