John de Mol wint rechtszaak tegen Facebook inzake nepadvertenties

Print this page 11-11-2019
IEPT20191111, Rb Amsterdam, John de Mol v Facebook
(Met dank aan Jacqueline Schaap en Patty de Leeuwe, Visser Schaap & Kreijger)

De Mol heeft voldoende spoedeisend belang bij vorderingen: voorafgaand aan aanspannen kort geding geen enkele toezegging van Facebook gekregen, pas na sommatie in april 2019 kentering in verschijnen nepadvertenties, soortgelijke advertenties met namen van bekende Nederlanders duiken nog geregeld op, waardoor vrees De Mol dat nepadvertenties met zijn gegevens, zonder de druk van dit kort geding, weer kunnen verschijnen gerechtvaardigd lijkt. Bieden van platform voor onrechtmatige advertenties die reputatieschade wordt veroorzaakt bij De Mol in beginsel onrechtmatig. Facebook kan zich niet beroepen op vrijwaringsbepaling artikel 14(1) Richtlijn inzake elektronische handel: Facebook bepaalt door controle op de advertenties mede de inhoud daarvan en speelt daarin een actieve rol, ook als beroep op vrijwaringsbepaling wel mogelijk is staat dit niet in de weg aan verkrijgen rechtelijk verbod of bevel. Geen strijd met algemeen filterverbod artikel 15 Richtlijn inzake elektronische handel: vorderingen inmiddels beperkt en toegespitst op onderhavige geval. Geen strijd met informatievrijheid artikel 10 EVRM: uitingen niet gericht op informatievrijheid of uitingsvrijheid, maar op commercieel gewin en vermoedelijk strafbare feiten. Beroep op technische onmogelijkheid gevorderde maatregelen faalt: niet vereist dat 100% effectiviteit op voorhand vaststaat, gelet op verantwoordelijkheid Facebook voor advertentieplatform mag van haar het nodige worden verwacht ook als het gaat om maatregelen die technisch ingewikkeld zijn en (extra) inspanningen, inzet van mankracht en geld kosten, aannemelijk dat Facebook meer maatregelen kan nemen dan thans gebeurt. Geen schending proportionaliteits- of subsidiariteitsbeginsel. Facebook moet identificerende gegevens van adverteerders nep advertenties verstrekken: verstrekking voldoet aan eisen Lycos/Pessers en artikel 6(1) AVG.

 

PROCESRECHT - ONRECHTMATIGE DAAD - PRIVACY

 

Rechtspraak.nl bericht: “Tussen oktober 2018 en in ieder geval maart 2019 verschenen op Facebook en Instagram advertenties waarin De Mol en andere bekende Nederlanders reclame maakten voor het investeren in Bitcoins en andere cryptovaluta. De advertenties bleken nep: niet alleen hadden De Mol en anderen geen toestemming gegeven, mensen die op de advertenties ingingen en geld overmaakten, kregen bovendien geen Bitcoins en zagen hun geld niet meer terug. Gedupeerden raakten hierdoor in totaal ten minste 1,7 miljoen euro kwijt.

 

Na langdurig aandringen door De Mol werden de advertenties waarin hij figureerde uiteindelijk verwijderd. De Mol spande daarna een procedure aan waarin hij eiste dat het Facebook zou worden verboden om de valse Bitcoin-advertenties nog langer toe te laten. Ook wilde hij dat Facebook zou worden verplicht de gegevens van de adverteerders met hem te delen en om deze adverteerders voor altijd van Facebook en Instagram te verbannen. Facebook weigerde aan de eisen gehoor te geven. Volgens het bedrijf doet het al heel veel tegen valse advertenties. Verdergaande acties kunnen volgens het bedrijf niet verplicht worden gesteld, zijn wettelijk ook niet toegestaan en technisch bovendien niet mogelijk.

 

De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee en stelt De Mol grotendeels in het gelijk. Het argument van Facebook dat het slechts een neutraal doorgeefluik van informatie is en daarom überhaupt niet verplicht kan worden gesteld om op te treden, gaat in dit geval niet op. Daarvoor speelt het bedrijf ten aanzien van advertenties, die het primaire verdienmodel van Facebook vormen, een te actieve rol. Facebook bepaalt niet alleen de tarieven, maar heeft ook actief beleid over welke advertenties wel en niet op Facebook en Instagram verschijnen. De stelling dat het bedrijf dit beleid vrijwillig uitvoert, als ‘Good Samaritan’, wordt dan ook door de rechter verworpen.

 

Er zijn bovendien geen wettelijke bepalingen die het Facebook zouden verhinderen om meer te doen tegen nepadvertenties. De eis van De Mol is te specifiek om te resulteren in een – inderdaad wettelijk verboden – algemeen filterverbod. Ook het beroep van Facebook op het recht op informatie- en uitingsvrijheid gaat niet op, omdat het gaat om commerciële uitingen die vermoedelijk strafbaar zijn.

 

Dat de advertenties na aandringen van De Mol alsnog werden verwijderd en daarna ook nauwelijks meer terugkeerden, laat zien dat het kennelijk technisch wel degelijk mogelijk is om actiever op te treden. Dat dit mankracht en geld kost, is geen reden het niet te doen. Daarvoor is de verantwoordelijkheid van Facebook voor haar eigen advertentieplatform te groot en hebben de valse advertenties te veel impact.

 

Facebook wordt niet verplicht om de adverteerders voor altijd te weren. Die eis is volgens de voorzieningenrechter te verstrekkend. […]”

 

Lees het volledige nieuwsbericht hier

 

IEPT20191111, Rb Amsterdam, John de Mol v Facebook

 

ECLI:NL:RBAMS:2019:8415