HvJEU over “ongeoorloofd gebruik van componenten” uit artikel 13 Gemeenschapskwekersrechtverordening

Print this page 06-01-2020
IEPT20191219, HvJEU, Club Variedades Vegetales Protegidas

Het aanplanten van een beschermd ras en het oogsten van niet als teeltmateriaal bruikbare vruchten ervan – (pitloze mandarijnen) – kan niet worden aangemerkt als het “voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering)” van componenten (artikel 13(2)(a) GKwV), maar als het voortbrengen van oogstmateriaal waarvoor toestemming  slechts vereist is indien dit oogstmateriaal werd verkregen door het ongeoorloofde gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij die houder een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen (artikel 13(3) GKwV). Niet als teeltmateriaal bruikbare vruchten kunnen niet worden beschouwd als verkregen door “ongeoorloofd gebruik van componenten” (artikel 13(3) GKwV), wanneer die componenten zijn vermeerderd en verkocht in de tijd tussen de bekendmaking van de kwekersrechtaanvraag en de verlening ervan. Hetzelfde geldt als die vruchten na de verlening van het communautaire kwekersrecht zijn geoogst. Wanneer vermeerdering en verkoop van componenten na verlening kwekersrecht plaatsvindt kan houder kwekersrecht zijn rechten (artikel 13(2) en (3) doen gelden tenzij hij een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen.

 

KWEKERSRECHT

 

Nadorcott Protection is houder van een plantenras Nadorcott. Verweerder is eigenaar van twee percelen, waarop hij in de lente van 2005 en 2006 respectievelijk 351 en 998 planten van het Nadorcott-ras heeft geplant. Deze planten had hij in 2005 gekocht in een kwekerij, nadat het kwekersrecht voor het plantenras was aangevraagd, maar voordat de verlening van het kwekersrecht rechtskracht had gekregen. De verwijzende rechter vraagt uitleg van artikel 13 GKwV, dat ziet op de bevoegdheden van de houder van een communautair kwekersrecht en verboden handelingen. De vragen worden als volgt beantwoord:

 

"1) Artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht moet aldus worden uitgelegd dat voor het aanplanten van een beschermd ras en het oogsten van de vruchten ervan die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, de toestemming van de houder van het communautaire kwekersrecht voor dat plantenras vereist is voor zover de voorwaarden van artikel 13, lid 3, van deze verordening zijn vervuld.

 

2) Artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2100/94 moet aldus worden uitgelegd dat de vruchten van een plantenras die niet kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, niet kunnen worden beschouwd als te zijn verkregen door een „ongeoorloofd gebruik van componenten” van dit plantenras in de zin van deze bepaling wanneer deze componenten in de tijd tussen de bekendmaking van de aanvraag van het communautaire kwekersrecht voor dit plantenras en de verlening ervan door een kwekerij zijn vermeerderd en aan een landbouwer zijn verkocht. Wanneer deze componenten na de verlening van dit kwekersrecht zonder toestemming van de houder van dit kwekersrecht zijn vermeerderd en verkocht, kan deze laatste het hem door artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3, van deze verordening verleende recht met betrekking tot die vruchten doen gelden, tenzij hij een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen."

 

IEPT20191219, HvJEU, Club Variedades Vegetales Protegidas

 

C176/18 - ECLI:EU:C:2019:1131