Martin Garrix en platenmaatschappij Spinnin over en weer in het (on)gelijk gesteld

Print this page 10-01-2020
IEPT20191224, Hof Arnhem-Leeuwarden, Spinnin

(Met dank aan Syb Terpstra en Hans Bousie (bureau Brandeis) en Paul Kreijger (Visser Schaap & Kreijger))

 

Geen dwaling bij Martin Garrix bij tekenen productieovereenkomst met Spinnin en managementcontract met MAS: genoegzaam aangetoond dat Garrix en zijn vader bekend waren met verwevenheid MAS en Spinnin, geen verruiming mededelingsplicht aan minderjarige Garrix nu deze zich liet bijstaan door vader en juridisch adviseurs. Garrix komt beroep op artikel 25f Aw toe: uitgangspunt dat op 1 juli 2015 in werking getreden auteursrechtcontractenrecht niet geldt voor daarvoor gesloten overeenkomsten, geldt niet voor dit artikel, Garrix naast maker ook als uitvoerend kunstenaar aangemerkt. Merendeel bedingen uit overeenkomst met Spinnin niet onredelijk bezwarend ex artikel 25f Aw: overdracht masterrechten - ook gecombineerd met omstandigheid dat productiekosten voor rekening Garrix komen -  niet onredelijk bezwarend,  royaltyvergoeding van 30% en mogelijkheid Spinnin om daarop kosten in mindering te brengen niet onredelijk nu niet is gebleken dat Spinnin hiervan onbeperkt gebruik maakte. Eenzijdige verlengmogelijkheid wel onredelijk bezwarend en terecht vernietigd zodat productieovereenkomst en co-managementovereenkomst op juli 2013 zijn geëindigd:  grote commerciële succes van Garrix zorgde voor onevenredigheid tussen de vergoeding Garrix en opbrengsten Spinnin. Overeenkomsten niet rechtsgeldig ontbonden door Garrix waardoor opgeschorte betalingen alsnog moeten worden betaald:  procedure voor ontbinding uit overeenkomst niet gevolgd. Garrix is fonogrammenproducent in de zin van de wet naburige rechten: nam initiatief en was verantwoordelijk voor eerste opname.

 

AUTEURSRECHT - IE-VERBINTENISSENRECHT

 

Rechtspraak.nl bericht: “Op 24 december 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in hoger beroep in een zaak tussen deejay Martin Garrix en zijn platenmaatschappij Spinnin Records en MusicAllstar Management. De rechtbank besliste dat de deejay de overeenkomsten met zijn vroegere platenmaatschappij en management op grond van dwaling terecht heeft vernietigd.

 

De bezwaren die Spinnin Records en MusicAllstar Management tegen de beslissing van de rechtbank hebben aangevoerd, zijn naar het oordeel van het hof terecht. Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de deejay bij het aangaan van de overeenkomsten verkeerd is voorgelicht of op het verkeerde been is gezet. Ook het beroep van de deejay op bedrog en misbruik van omstandigheden wijst het hof af.

 

De in de overeenkomsten opgenomen mogelijkheid van Spinnin Records en MusicAllstar Management om de overeenkomsten tegen dezelfde voorwaarden met twee jaren te verlengen, acht het hof in het licht van het grote commerciële succes van de deejay een beding dat op grond van het auteurscontractenrecht onredelijk bezwarend is. Dit heeft tot gevolg dat de overeenkomsten op 30 juli 2015 zijn geëindigd.

 

De deejay moet nog wel de door hem opgeschorte managementvergoeding betalen. Spinnin Records en MusicAllstar Management zijn, anders dan de deejay aanvoert, in hun verplichtingen tegenover de deejay niet tekortgeschoten. De hoogte van de vergoeding zal in een aparte procedure bij de rechtbank worden vastgesteld (een zogenaamde schadestaatprocedure). […]

 

Lees het volledige persbericht hier.

 

IEPT20191224, Hof Arnhem-Leeuwarden, Spinnin

 

ECLI:NL:GHARL:2019:11117