Voldoende basis voor oordeel dat afbrekende mededelingen over concurrent zijn gedaan
16-06-2020 Print this pageGesprekken van Smienk met twee klanten en gesprekken [directielid van Smienk] en [het recherchebureau] met Otolift voldoende basis voor oordeel Rb dat Otolift afbrekende mededelingen over Smienk heeft gedaan. Artikel 6:194a Rv ziet ook op telefonische mededelingen aan slechts één of enkele potentiële klanten. Otolift heeft onvoldoende onderbouwd dat zij geen concurrent is van Smienk. Otolift heeft onvoldoende onderbouwd dat het een objectief feit is dat Smienk zomaar overal en veelal onterecht tweedehands Otolift-trapliften heeft gemonteerd op een andere trap. Toegewezen rectificatie op website Otolift niet disproportioneel. Eisvermeerdering met vordering tot betaling € 5.000 wegens verbeurde dwangsommen toegewezen: verweer Smienk in strijd met tweeconclusieregel pas bij pleidooi gevoerd en eisvermeerdering komt hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Onvoldoende onderbouwd dat Smienk in strijd met vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld. Otolift heeft onvoldoende toegelicht dat los van vaststellingsovereenkomst sprake is van een relevante misleiding (6:194 BW): wel gesteld dat consumenten onvolledig worden geïnformeerd, maar niet dat het gaat om essentiële informatie.
ONGEOORLOOFDE VERGELIJKENDE RECLAME
Hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 februari 2018 (IEPT20180228). Smienk richt zich op de verkoop en montage van tweedehands trapliften. Otolift is een langer bestaande producent van trapliften, die zij ook monteert. Naar aanleiding van een kort geding tussen Otolift en Smienk hebben partijen in 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Later is er nog een vaststellingsovereenkomst gesloten. In eerste aanleg werd geoordeeld dat Otolift zich heeft bediend van ongeoorloofde vergelijkende reclame (artikel 6:194a BW).
Het hof oordeelt dat de gesprekken van Smienk met twee klanten en de gesprekken van [directielid van Smienk] en [het recherchebureau] met Otolift voldoende basis voor het oordeel van de rechtbank vormen dat Otolift afbrekende mededelingen over Smienk heeft gedaan. Voorts heeft Otolift onvoldoende onderbouwd dat zij geen concurrent is van Smienk en dat om die reden geen sprake kan zijn van vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a(1) BW. De concurrentieverhoudingen van partijen volgen onder meer uit een uitspraak van een marketingmanager van Otolift in eerste aanleg “70% van ons aanbod is ook tweedehands” en uit een voetnoot bij de pleitnota in hoger beroep, waaruit blijkt dat Otolift wel degelijk reeds gebruikte (“gereconditioneerde”) trapliftstoelen levert en sinds 2016 eveneens uit herbruikbare onderdelen bestaande rail. Otolift heeft onvoldoende onderbouwd dat het een objectief feit is dat Smienk zomaar overal en veelal onterecht tweedehands Otolift-trapliften heeft gemonteerd op een andere trap.
Dat de toegewezen rectificatie disproportioneel is, omdat de gewraakte uitlatingen slechts in twee telefoongesprekken zouden zijn gedaan, zoals Otolift stelt, wordt niet gevolgd. Hoewel van slechts twee telefoongesprekken met potentiële klanten van Otolift vaststaat dat daarin de gewraakte uitlatingen zijn gedaan, heeft de rechtbank zich ook gebaseerd op de nadien door [directielid van Smienk] en [het recherchebureau] gevoerde gesprekken met Otolift, waarin de desbetreffende medewerkers van Otolift kennelijk meenden te spreken met potentiële klanten. Daarnaast sluiten de gewraakte aansluitingen aan bij signalen van klanten die Smienk begin januari 2015 bij Otolift aan de orde stelde en bij een recenter Whatsapp-bericht van een Otolift-medewerker aan een potentiële klant. Rectificatie in de vorm van een rechtstreeks bericht aan de twee klanten ligt daarom niet voor de hand. Ook wordt overwogen dat aan een rectificatie op de eigen website van Otolift slechts geringe kosten verbonden zullen zijn.
Otolift heeft onvoldoende onderbouwd dat Smienk in strijd met de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld en voorts onvoldoende onderbouwd dat los van de vaststellingsovereenkomst sprake is van misleidende uitlatingen door Smienk.
IEPT20200512, Hof Den Haag, Otolift v Smienk