Artikel 163 Rv vereist niet dat getuige wordt verplicht onderzoek naar feiten en omstandigheden in te stellen die hem niet uit eigen wetenschap bekend zijn

16-06-2020 Print this page
IEPT20200612, HR, De Liegende Rechter
(Met dank aan Matthijs Kaaks, Boekx Advocaten)

Hof Den Haag niet te motiveren waarom grond bestond voor toepassing artikel 62b RO: [de medewerkster] was zelf van mening dat zaak door ander gerechtshof moest worden behandeld. Terecht heeft het hof niet van belang geacht dat de uitlatingen en herinneringen van [medewerkster] zich werkelijk hebben voorgedaan: Hof heeft van belang geacht of geuite beschuldigingen steun vonden in beschikbare feitenmateriaal. Ook  als herinneringen [de medewerkster] waarop geuite beschuldigingen zijn gegrond oprecht en authentiek zijn is oordeel hof dat zij herinneringen diende te onderzoeken en voldoende feitelijk te onderbouwen voldoende gemotiveerd. Oordeel hof dat [de medewerkster] de in haar anonieme brief opgenomen ernstige beschuldigingen niet had mogen herhalen in haar onder ede afgelegde getuigenissen, zonder zich eerst  van de juistheid daarvan te vergewissen en/of te staven met verder bewijs en feiten, berust op een onjuiste rechtsopvatting: Vereiste van artikel 163 Rv dat verklaring betrekking moet hebben op eigen waarneming staat eraan in de weg dat getuige wordt verplicht ter voorbereiding van af te leggen verklaring onderzoek naar feiten en omstandigheden in te stellen die hem niet uit eigen wetenschap bekend zijn. Hoge Raad vernietigt arrest van hof Den Bosch: Arrest hof vernietigd voor zover voor recht is verklaard dat [de medewerkster] onrechtmatig heeft gehandeld door in 2011 en 2012 (onder ede) beschuldigingen uit anonieme brief uit 2007 te herhalen.

 

PROCESRECHT - PUBLICATIE - ONRECHTMATIGE DAAD

 

Cassatie tegen het arrest van het hof Den Bosch van 30 oktober 2018 (IEPT20181030), waarin werd geoordeeld dat de handelwijze van geïntimeerde met haar aan de Nieuwe Revu gezonden anonieme brief, waarin een rechter van partijdig en onprofessioneel rechtersgedrag werd beschuldigd en de onder ede afgelegde getuigenissen als onrechtmatige daad kwalificeren, omdat de beschuldigingen onvoldoende met feiten onderbouwd zijn.

 

De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend ten aanzien van het oordeel van het hof dat [de medewerkster] niet de beschuldigingen die zij in de anonieme brief had gemaakt mocht herhalen in haar onder ede afgelegde getuigenissen, zonder zich eerst (alsnog) van de juistheid daarvan te vergewissen en/of die herinneringen (alsnog) te staven met verder bewijs en feiten. De Hoge Raad overweegt dat weliswaar onder omstandigheden van een getuige kan worden verlangd dat hij zich ter voorbereiding van een door hem af te leggen verklaring op de hoogte stelt van schriftelijke stukken of kennis neemt van andere gegevens die eraan kunnen bijdragen dat hij zijn geheugen opfrist en op een adequate wijze op vragen zal kunnen antwoorden, maar dat het vereiste van artikel 163 Rv dat de verklaring betrekking moet hebben op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten, eraan in de weg staat dat hij verplicht wordt ter voorbereiding van de door hem af te leggen verklaring een onderzoek in te stellen naar feiten en omstandigheden die hem niet uit eigen wetenschap bekend zijn.

 

IEPT20200612, Hoge Raad, De Liegende Rechter

 

ECLI:NL:HR:2020:1046