Drijvende zonnepaneleninstallatie van ProFloating maakt geen inbreuk op octrooi EP 447 van C&T

20-10-2020 Print this page
IEPT20201006, Rb Den Haag, CT v Profloating
(Met dank aan Martin Luten en Marten Bosma, Arnold + Siedsma)

ProFloating maakt geen inbreuk op basis van equivalentie op octrooi EP 447: gemiddeld vakkundig persoon zal na lezing van beschrijving en conclusies niet menen dat in het kader van het aannemen van equivalentie het kenmerk “drijven” van “elk” verbindingselement voor sommige verbindingselementen kan worden weggeïnterpreteerd. De bewoordingen van deelkenmerk laten daarvoor geen ruimte, gelezen in samenhang met de gedachte achter het voorschrift dat alle elementen moet drijven. Niet-drijvende elementen zitten niet op onbelangrijke plaatsen in het systeem. Aanname dat niet zelfstandige drijvende verbindingselementen bij wege van equivalentie nog onder kenmerk f vallen past niet binnen scope van de werkelijke uitvinding: uitvinding gaat uit van slechts twee elementen in het kader van eenvoudige productie, vervoer en assemblage. De voorgestelde equivalentie slaagt niet voor Function-way-result-toets: het resulteert voorts in een complexer systeem met niet twee maar drie modulaire elementen, dat (op plekken) minder goed zal drijven.

 

OCTROOIRECHT

 

C&T is een onderneming die - onder meer - drijvende installaties voor zonnepanelen ontwikkelt en verkoopt. Zij heeft in 2011 een modulaire drijvende installatie voor zonnepanelen ontwikkeld onder de naam Hydrelio en is houdster van het Europese octrooi EP3336447 B1 (EP 447). C&T biedt haar Hydrelio producten wereldwijd aan, waaronder in Nederland.
ProFloating biedt drijvende installaties voor zonnepanelen aan onder de naam FLOTAR, onder andere in Nederland.

 

                       ProFloating_drijvende_zonnepanelen.png

 

Zonnepaneleninstallatie C&T                                  Zonnepaneleninstallatie ProFloating

 

C&T stelt dat ProFloating met haar nieuwe configuratie (voor de oude configuratie heeft ProFloating een door C&T opgestelde onthoudingsverklaring getekend), inbreuk maakt op haar octrooi bij wege equivalentie. Met vervanging van een beperkt aantal van de drijvende verbindingselementen door niet-drijvende verbindingselementen blijft de nieuwe configuratie nog steeds in hoofdzaak dezelfde functie vervullen, met in hoofdzaak dezelfde middelen en met in hoofdzaak hetzelfde resultaat.

 

Naar voorlopig oordeel maakt ProFloating door vervanging van de drijvende verbindingselementen die de afstand tussen de rijen bewaren door niet-drijvende verbindingselementen zoals opgenomen in de twee uitvoeringsvormen van haar nieuwe configuratie, voorshands geen inbreuk op basis van equivalentie. De stelling van C&T zou erop neer komen dat de gemiddeld vakkundig persoon na lezing van beschrijving en conclusies zal menen dat - in het kader van het aannemen van equivalentie - het kenmerk “drijven” van “elk” verbindingselement voor sommige verbindingselementen kan worden weggeïnterpreteerd. Dat is volgens de voorzieningenrechter niet aan de orde, want de bewoordingen van deelkenmerk f laat daarvoor geen ruimte, gelezen in samenhang met de gedachte achter het voorschrift dat alle elementen moet drijven. De niet-drijvende elementen zitten ook niet op onbelangrijke plekken in het systeem. De aanname dat niet zelfstandig drijvende verbindingselementen bij wege van equivalentie nog onder deelkenmerk f vallen, zou er voor zorgen dat de installatie zou worden opgebouwd met behulp van drie in plaats van twee elementen en dat weer niet binnen de scope van de werkelijke uitvinding die in het kader van eenvoudige productie, vervoer en assemblage uitgaat van slechts twee (modulaire) elementen.

 

Ook de function-way-result-toets valt niet in het voordeel van C&T uit: zowel de functie, de weg/wijze als het resultaat van het niet drijvende verbindingselement is anders. Het verbindingselement heeft immers niet langer tevens de functie om aan het drijfvermogen van het systeem bij te dragen. De wijze waarop het verbindingselement alsnog boven water blijft, is verder wezenlijk verschillend: ondersteuning door belendende, wel drijvende elementen tegenover zelfstandig drijfvermogen door een holte (inwendig volume). Het resulteert voorts in een complexer systeem met niet twee maar drie modulaire elementen, dat (op plekken) minder goed zal drijven.

 

IEPT20201006, Rb, Den Haag, C&T v Profloating

 

ECLI:NL:RBDHA:2020:9924