Onderzoek van monsters mochten conform schikkingsovereenkomst gebruikt worden

28-12-2021 Print this page
IEPT20210518, Hof Den Haag, Neo v Rhodia

Verbintenissenrecht. Uitleg schikkingsovereenkomst met betrekking tot gebruik van na beslaglegging verkregen monsters. Deze mochten zonder toestemming worden onderzocht en de resultaten ervan mochten worden ingebracht in buitenlandse octrooi-inbreukprocedures; geen litispendentie of samenhangende vorderingen; begroting proceskosten op de voet van 1019h Rv.

 

PROCESRECHT - IE-VERBINTENISSENRECHT

 

De voorliggende vragen: (1) Was het Rhodia op grond van de door haar met Neo gesloten Schikkingsovereenkomst toegestaan om met de door Rhodia verkregen monsters van producten van Neo te onderzoeken of met die producten inbreuk wordt gemaakt op (de Duitse delen van) EP 846 en EP 682 en (2) of Rhodia de onderzochte monsters en de onderzoeksresultaten mocht inbrengen in de Inbreukprocedures. 


Ook als het betoog van Neo dat artikel 18 Schikkingsovereenkomst – waarin is bepaald dat Rhodia van de monsters geen gebruik mocht maken anders dan voor gerechtelijke procedures met betrekking tot de Patents – als ‘hoofdregel’ zou moeten worden beschouwd, maakt dat het voorgaande niet anders. Zowel in artikel 19 SO, als in artikel 22 SO zijn daarop immers duidelijke uitzonderingen overeengekomen. Aan die bepalingen zou geen enkele betekenis meer toekomen indien deze met inachtneming van de beperkingen van artikel 18 SO zouden moeten worden gelezen, zoals Neo kennelijk voorstaat.

Volgens Rhodia komt aan bedoelde zinsnede geen andere betekenis toe dan dat daarmee wordt bevestigd dat het doen van verdere testen met de verkregen monsters, gelet op artikel 9 lid 1 onder b van de Handhavingsrichtlijn, ook daardoor wordt gerechtvaardigd dat deze producten door de onafhankelijke deskundigen al als inbreukmakend op een van Rhodia’s octrooien zijn aangemerkt.

 

Het hof komt tot dezelfde conclusie als de voorzieningenrechter, en veroordeelt Neo in de kosten van het (kort) geding in reconventie €41.579,40 en de proceskosten in het principaal appel op €150.760.

 

IEPT20210518, Hof Den Haag, Neo v Rhodia


ECLI:NL:GHDHA:2021:2058