Grieven van Biomet jegens Heraeus strekkende tot de primaire vordering zijn niet gehonoreerd

09-11-2021 Print this page
IEPT20210713, Hof Den Bosch, Biomet v Heraeus

Het hof verwerpt de grieven van Biomet voor zover zij strekken tot toewijzing van de primaire vordering van Biomet tot opheffing van het beslag.  Er is sprake van een rechtsbetrekking tussen partijen: Biomet heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen rechtsbetrekking uit hoofde van onrechtmatige daad hier te lande tussen partijen bestaat. Heraeus heeft een rechtmatig belang: wil deze bescheiden gebruiken ter verdere onderbouwing van haar tegen Biomet in te stellen vorderingen ten behoeve van het stilleggen van de verhandeling van de botcementen en de vergoeding van de schade. De in beslag genomen / te nemen bescheiden zijn voldoende precies omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van Heraeus kon worden verlangd. Bewijsbeslag beperkt tot en met maart 2017: Heraeus heeft aangegeven dat het proces van beslaglegging is afgerond en heeft onvoldoende toegelicht welk belang zij thans nog heeft bij voortzetting van het verzamelen van materiaal ten behoeve van het beslag op voormelde gegevensdragers.

 

BEDRIJFSGEHEIMEN

Hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg, wat correspondeert met het vonnis van de voorzieningenrechter, dat werd bekrachtigd op 4 december 2018 door het Hof Den Haag. De zaak betreft een geschil tussen Biomet c.s (hierna: Biomet) en Heraeus Kulzer GmbH (hierna: Heraeus) over het conservatoir bewijsbeslag dat Heraeus ten laste van Biomet wil leggen op diverse documenten die zich onder Biomet bevinden.

Aan haar verzoek heeft Heraeus de volgende stellingen ten grondslag gelegd: dat Biomet onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf februari 2004 botcementen te ontwikkelen met gebruikmaking van bedrijfsgeheimen van Heraeus , dat zij buiten Duitsland nooit gestopt zijn met het produceren en het verhandelen van die inbreukmakende producten en dat Heraeus ook in Nederland rechtsmaatregelen tegen hen wil nemen. Als redenen voor het leggen van bewijsbeslag heeft Heraeus opgegeven dat het voor haar niet duidelijk is welke onderlinge rolverdeling er tussen de verschillende entiteiten bestaat en heeft bestaan, en dat zij geen inzicht heeft in de omzet- en winstcijfers die de betrokken vennootschappen realiseren met betrekking tot de inbreukmakende producten. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof op 6 december 2016 verleend.

In de onderhavige procedure vordert Biomet, kort gezegd, primair opheffing van het bewijsbeslag en teruggave van hetgeen in beslag is genomen, subsidiair beperking van het verlof.

In België, Finland en Duitsland is geoordeeld dat Biomet-vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld door inbreuk te maken op de bedrijfsgeheimen van Heraeus. Naar het oordeel van het hof heeft Biomet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dat voor Nederland anders is. Voorts heeft het hof besloten dat aannemelijk is dat Heraeus een rechtmatig belang heeft bij stukken waaruit de met de betreffende botcementen gemaakte winst kan blijken.

Het hof is verder van oordeel dat in het kader van dit kort geding, dat zich niet leent voor verder onderzoek, dat de door Biomet gestelde overeenkomst niet aannemelijk is geworden. Ook kan op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd niet worden geoordeeld dat niet of niet meer is voldaan aan de eisen die voor het verlof voor het leggen van bewijsbeslag zijn gesteld in de zogenaamde Molenbeek-uitspraak. Verder heeft Biomet niet summierlijk aannemelijk gemaakt dat de bescherming van de vertrouwelijkheid van voormelde correspondentie thans onvoldoende is gewaarborgd. Ook heeft Biomet onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat op grond van de Wbp het leggen van het onderhavige beslag op grond van een rechterlijk verlof, niet toegestaan zou zijn.

Tot slot heeft Biomet niet aannemelijk gemaakt dat Heraeus niet hoeft te vrezen voor verduistering van bewijs. Biomet voert aan dat de deurwaarder buiten de reikwijdte van het verlof treedt. Biomet heeft echter niet voldoende geconcretiseerd welke bescheiden ten onrechte in bewaring zijn (of zullen) genomen. Voormelde stelling van Biomet kan dus niet leiden tot opheffing van het beslag.

 

De IEPT-versie volgt

ECLI:NL:GHSHE:2021:2181