Geen wettelijke plicht om terugbetalingsregeling na besluit Minister of Staatssecretaris te beëindigen. Geen niet toegestaan gunstbetoon. Communicatie over de regeling heeft geen aanprijzend karakter voor de werking, slechts informatief. Vorderingen afgewezen.
Beiden partijen brengen geneesmiddelen op de markt voor behandeling van diabetes mellitus type 2; deze zaak gaat over SGLT-2 remmers. Een terugbetalingsregeling (TBR) is van kracht: Wanneer een geneesmiddel niet wordt vergoed, wordt door de fabrikant de kosten ervan (volledige of deels) terugbetaalt aan de patiënt. Boehringer vordert dat AstraZena haar TBR voor FORXIGA beëindigt en de voorwaarden van de TBR aan te passen dat deze overeenkomen met de TBR-voorwaarden van Boehringer.
Na besluit van de Minister of Staatssecretaris over en vergoedingsaanvraag dient een TBR te eindigen en zodoende heeft Boehringer haar TBR geëindigd met een overgangstermijn tot 1 maart 2022. AstraZeneca laat deze doorlopen, zodat haar medicijn een betere positie krijgt, dat is onrechtmatig, aldus Boehringer.
Dat het voeren van een TBR voor een geneesmiddel alleen is toegestaan als en zolang er een aanvraagprocedure loopt voor vergoeding van het geneesmiddel, vindt geen steun in de wet- en regelgeving. Dat de TBR van AstraZeneca als een niet toegestaan gunstbetoon moet worden beschouwd, is niet onderbouwd. De Gedragscode Geneesmiddelenreclame kent ook geen bepaling die kosteloze verstrekking van een voorgeschreven geneesmiddel, beschouwt als een vorm van ontoelaatbaar gunstbetoon.
Beroep op artikel 84 lid 3 en 85 Geneesmiddelenwet, is ter bescherming van de volksgezondheid, niet voor inzet bij concurrerende verhoudingen. De communicatie van AstraZeneca bevat uitingen van feitelijke aard en over de inhoud van de TBR. Ze bevatten geen promotionele claims over de werking en hebben geen aanprijzend karakter, een wervende toon; de uitingen zijn verder in sobere opmaak en moeten worden gezien als een zuiver informatieve mededeling.
Ex 6:193c en 6:194 BW zouden handelspraktijken en mededelingen kunnen worden verboden. Beroepsbeoefenaren en patiënten kunnen worden misleid dat de AstraZeneca communicatie over de TBR de indruk wetk dat de vergoedingsvoorwaarden in de toekomst mogelijk verder zullen worden uitgebreid. Echter het is aan Boehringer om voldoende aannemelijk temaken dat die suggestie misleidend is. Daarin slaagt zij niet.
De voorzieningenrechter wijst het gevorderde af.