HvJ EU: Mededeling van voorwetenschap door een journalist is niet wederrechtelijk wanneer zij noodzakelijk is voor zijn journalistieke beroep

31-03-2022 Print this page
IEPT20220315, HvJEU, AMF

Informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten kan als voorkennis artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 (Marktmisbruikrichtlijn) worden aangemerkt, wanneer de informatie concreet is. Bij de beoordeling van het concrete karakter van de informatie, artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124 (Uitvoeringsrichtlijn marktmisbruik), weegt mee: prijs waartegen de effecten worden verkocht, identiteit van de journalist en de daadwerkelijke invloed van de publicatie op de koers van de effecten. Bij een beoordeling of de publicatie van een markgerucht valt binnen het kader van de persvrijheid, artikel 21 Marktmisbruikverordening, weegt mee of de mededeling ten behoeve van journalistieke doeleinden is gedaan. Begrip ‘journalistieke doeleinden’ ziet ook op de openbaarmaking van informatie die deel uitmaakt van het proces dat tot die publicatie leidt.  De mededeling van voorwetenschap door een journalist is niet wederrechtelijk, wanneer: die mededeling werd gedaan in het kader van de normale uitoefening van het beroep van journalist, de mededeling noodzakelijk is, de mededeling voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, de journalist de gedragscodes in acht heeft genomen en de journalist rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen van het openbaar maken van de mededeling van voorkennis.   

 

PUBLICATIE

 

Zaak C‑302/20. Autorité des marchés financiers (AMF). Prejudiciële vragen cour d’appel de Paris, Frankrijk. 

 

Samenvatting:  A was jarenlang journalist bij verschillende Britse dagbladen. In het kader van zijn werkzaamheden schreef hij artikelen waarin aandacht werd besteed aan marktgeruchten, waarvan er twee specifiek betrekking hadden op effecten die zijn toegelaten tot de handel op Euronext. Deze artikelen zijn gepubliceerd op de internetsite van het dagblad Daily Mail.

Zo maakte hij in het eerste artikel melding van een mogelijk openbaar overnamebod van de vennootschap LVMH op de effecten van de vennootschap Hermès. De dag na de publicatie van dat artikel steeg de koers van deze effecten in de loop van de beurssessie. In het tweede artikel werd vermeld dat mogelijkerwijs een openbaar overnamebod zou worden gedaan op de effecten van de vennootschap Maurel & Prom. De dag na de publicatie van dit artikel was de koers van de aandelen in kwestie bij de sluiting van de beurs aanzienlijk gestegen.

 

In het kader van een onderzoek van de Autorité des marchés financiers (AMF) (Frankrijk) is gebleken dat kort vóór de publicatie van die twee artikelen in kwestie kooporders waren geplaatst voor de effecten van de vennootschappen Hermès en Maurel & Prom door Britse ingezetenen, die na die publicatie hun posities hadden gesloten. De sanctiecommissie van de AMF heeft A een geldboete van 40 000 EUR opgelegd omdat hij volgens haar aan twee personen voorwetenschap had meegedeeld over de ophanden zijnde publicatie van twee artikelen waarin aandacht zou worden besteed aan geruchten over de indiening van openbare overnamebiedingen op de effecten van bovengenoemde vennootschappen.

In zijn arrest spreekt het Hof (Grote kamer) zich uit over de vraag in hoeverre informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten „voorwetenschap” is in de zin van de richtlijnen betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie(1), en gaat het met name dieper in op het vereiste dat informatie concreet moet zijn om als voorwetenschap te kunnen worden gekwalificeerd. Het Hof verduidelijkt ook onder welke voorwaarden de mededeling van voorwetenschap door een journalist aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen kan worden geacht te worden gedaan voor journalistieke doeleinden en dus niet wederrechtelijk te zijn, zoals bedoeld in de verordening betreffende marktmisbruik(2).

 

Vragen:

1)      a)      Moet artikel 1, punt 1, eerste alinea, van [richtlijn 2003/6], gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1, van [richtlijn 2003/124] aldus worden uitgelegd dat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten kan voldoen aan het in die bepalingen neergelegde concreetheidsvereiste voor de kwalificatie van informatie als voorwetenschap?
b)      Is de omstandigheid dat het persartikel waarvan de ophanden zijnde publicatie de informatie in kwestie vormt bij wijze van marktgerucht de prijs van een openbaar overnamebod vermeldt, van invloed op de beoordeling of die informatie concreet van aard is?
c)      Zijn de bekendheid van de journalist van wiens hand het artikel is, de reputatie van het persorgaan dat dit artikel heeft gepubliceerd, en de daadwerkelijk aanzienlijke invloed (‚ex post’) van deze publicatie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, relevante criteria voor de beoordeling van de concrete aard van de informatie in kwestie?

2)       Indien [de] informatie [in kwestie] aan het gestelde concreetheidsvereiste [voldoet]:
a)      Moet artikel 21 van [verordening nr. 596/2014] dan aldus worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn gebruikelijke [informatiebronnen] informatie openbaar maakt over de ophanden zijnde publicatie van een door hem geschreven artikel betreffende marktgeruchten, dit een openbaarmaking is die ‚ten behoeve van journalistieke doeleinden’ is geschied?

b)      Is voor het antwoord op deze vraag dan met name beslissend of de journalist al dan niet door deze bron in kennis is gesteld van het marktgerucht, dan wel of de openbaarmaking van de informatie over de ophanden zijnde publicatie van het artikel al dan niet nuttig was om van die bron meer duidelijkheid te verkrijgen over de geloofwaardigheid van dat gerucht?

3)      Moeten de artikelen 10 en 21 van [verordening nr. 596/2014] aldus worden uitgelegd dat er, zelfs wanneer een journalist voorwetenschap openbaar maakt ‚ten behoeve van journalistieke doeleinden’ in de zin van artikel 21, voor de beoordeling van de vraag of deze openbaarmaking al dan niet wederrechtelijk is moet worden nagegaan of zij heeft plaatsgevonden ‚uit hoofde van de normale uitoefening van [het journalistieke] beroep’ in de zin van artikel 10?

4)      Moet artikel 10 van [verordening nr. 596/2014] aldus worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorwetenschap slechts plaatsvindt in de normale uitoefening van het journalistieke beroep indien zij strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van dit beroep en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel?

Hof verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) moet aldus worden uitgelegd dat informatie over de ophanden zijnde publicatie van een persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht over een emittent van financiële instrumenten, voor de kwalificatie als voorwetenschap informatie kan vormen die „concreet” is in de zin van die bepaling en van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6 wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft, alsmede dat voor de beoordeling van het concrete karakter van die informatie relevantie toekomt aan het feit dat in dat persartikel melding zal worden gemaakt van de prijs waartegen de effecten van die emittent zouden worden gekocht in het kader van een eventueel openbaar overnamebod alsook aan de identiteit van de journalist van wiens hand het betreffende artikel is en van het persorgaan dat het publiceert, voor zover deze gegevens vóór deze publicatie zijn meegedeeld. De daadwerkelijke invloed van de publicatie in kwestie op de koers van de effecten waarop deze publicatie betrekking heeft, kan weliswaar een ex-postbewijs vormen dat de informatie over de betreffende publicatie concreet was, maar volstaat op zichzelf zonder onderzoek van andere gegevens die vóór die publicatie bekend waren of bekendgemaakt waren, niet om aan te tonen dat die informatie concreet was.

2)      Artikel 21 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn 2003/6 van het Europees Parlement en de Raad en richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een journalist aan een van zijn gebruikelijke informatiebronnen informatie openbaar maakt over de ophanden zijnde publicatie van een door hem geschreven persartikel waarin aandacht wordt besteed aan een marktgerucht, deze openbaarmaking geschiedt „ten behoeve van journalistieke doeleinden” in de zin van dat artikel, wanneer die openbaarmaking noodzakelijk is om hem in staat te stellen journalistieke activiteiten, daaronder begrepen onderzoekswerkzaamheden ter voorbereiding van publicaties, tot een goed einde te brengen.

3)      De artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014 moeten aldus worden uitgelegd dat de mededeling van voorwetenschap door een journalist niet wederrechtelijk is wanneer zij moet worden geacht noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van zijn beroep en te stroken met het evenredigheidsbeginsel.


IEPT20220315, HvJEU, AMF


ECLI:EU:C:2022:190 - C‑302/20