Door dochter gestelde uitvinding waarvan vader de octrooirechten voor zichzelf hield

24-02-2023 Print this page
IEPT20220329, Hof Arnhem-Leeuwarden, dochter v vader

Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland waarbij de dochter de ouders heeft gedagvaard en diverse conservatoire beslagen ten laste van hen heeft gelegd. Het gaat om nakoming van een door de dochter gestelde ‘gelijktrekkingsovereenkomst’ ten opzichte van haar broer en een vordering op de vader in verband met een door de dochter gestelde uitvinding waarvan de vader de octrooirechten voor zichzelf heeft gehouden.

 

VASTSTELLINGSOVEREENKOMST

 

Het gaat in dit kort geding om de vraag of tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, ter beëindiging van de bodemprocedure. De voorzieningenrechter bevestigt dit en heeft de vordering van de ouders tot nakoming door de dochter van de vaststellingsovereenkomst toegewezen, waarbij is bepaald dat de dochter, na ontvangst van het schikkingsbedrag, dient over te gaan tot intrekking van de bodemprocedure en tot opheffing van de ten laste van de ouders gelegde conservatoire beslagen. Het hof komt tot een andere beslissing.

 

Op 12 mei 2020 heeft de dochter de ouders gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Daaraan voorafgaand heeft zij diverse conservatoire beslagen doen leggen ten laste van de ouders. Inzet van de bodemprocedure is een vordering op de ouders uit hoofde van nakoming van een door de dochter gestelde ‘gelijktrekkingsovereenkomst’ ten opzichte van haar broer en een vordering op de vader en geïntimeerde sub 3, de persoonlijke holding van de vader, uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking, in verband met een door de dochter gestelde uitvinding van het product FN2100, waarvan de vader de octrooirechten voor zichzelf heeft gehouden.

 

Omdat uit de verklaringen van partijen op het punt van de finale kwijting redelijkerwijs geen wilsovereenstemming kan worden afgeleid - en van een ondergeschikt aspect van de overeenkomst naar voorlopig oordeel van het hof niet kan worden gesproken - is het tussen partijen dus niet tot een definitieve overeenkomst gekomen over de voorwaarden waaronder de bodemprocedure tussen hen zou worden beëindigd.

 

Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland voor zover het betreft de dicta onder 5.1 en 5.3 en doet in zoverre opnieuw recht door de vorderingen van de ouders alsnog af te wijzen.

 

ECLI:NL:GHARL:2022:2459