Anders dan het Hof Amsterdam, oordeelt de Hoge Raad dat een lookalike wel als een portret van Max Verstappen in de zin van artikel 21 Aw kan worden aangemerkt: dat voor de aanschouwer duidelijk is dat de lookalike niet degene is op wie hij lijkt staat er niet aan in de weg dat sprake kan zijn van een portret. Geding wordt verwezen naar hof Den Haag voor verdere beoordeling of het gebruik van het portret onrechtmatig jegens Max Verstappen is geweest.
PORTRETRECHT - ONRECHTMATIGE DAAD
Cassatie tegen het arrest van het Hof Amsterdam (IEPT20200602) waarin het hof oordeelde dat een lookalike geen portret van Max Verstappen kan zijn in de zin van artikel 21 Aw, omdat voor de aanschouwer van de film van Picnic duidelijk is dat het niet Verstappen zelf betreft maar dat het gaat om een persiflage van zijn optreden in reclamefilms voor Jumbo.
De Hoge Raad overweegt echter dat de omstandigheid dat voor de aanschouwer duidelijk is dat de lookalike niet degene is op wie hij lijkt, er niet aan in de weg staat dat sprake kan zijn van een portret. Het karakter van de afbeelding, bijvoorbeeld een parodie, is daarbij niet van belang. Dat karakter kan wel een rol spelen in de door art. 21 Aw voorgeschreven belangenafweging en kan meebrengen dat niet kan worden gezegd dat een redelijk belang van de geportretteerde in de zin van deze bepaling zich tegen openbaarmaking van het portret verzet. De belangenafweging is voor het hof.
Het oordeel van het hof, dat niettemin geen sprake is van een portret omdat voor de aanschouwer duidelijk is dat het niet Verstappen zelf betreft, maar dat het gaat om een persiflage van zijn optreden in reclamefilms voor Jumbo, getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar het Hof Den Haag voor beoordeling van de onrechtmatigheid van het gebruik van het portret door Picnic.
IEPT20220422, HR, Mavic v Picnic
Deze uitspraak wordt besproken in de volgende PO-webinar
IE-Update 2022 2e kwartaal