Wie de anonieme bron Quote-artikel was, staat niet vast

16-12-2022 Print this page
IEPT20221206, Hof Den Haag, The Veri Soda Group

Onrechtmatige uitlatingen bankmedewerker jegens investeerders en redacteur Quote. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder - een bankmedewerker - in strijd heeft gehandeld met een contractuele geheimhoudingsverplichting door bedrijfsinformatie te overhandigen aan een redacteur van Quote. En heeft hij onrechtmatig jegens appellant gehandeld door negatieve uitlatingen over appellant te doen die zijn gepubliceerd in een artikel in het tijdschrift Quote. Appellant vordert een verklaring voor recht dat verweerder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door een aantal beschuldigingen en verdachtmakingen te uiten die zijn gepubliceerd in het Quote-artikel. De rechtbank wijst de vorderingen af, het hof bekrachtigt het vonnis.

 

GEHEIMHOUDINGSBEDINGPUBLICATIE

 

Appellant houdt zich bezig met de ontwikkeling en exploitatie van een biologische frisdrank, Veri Soda. Verweerder was bij een bank werkzaam als directeur Private Wealth Management verantwoordelijk voor ‘private placement’ en begeleiding van een aantal vermogende families en verzorgd de investeerders voor marktlancering mogelijk te maken. Er is een contractueel geheimhoudingsverplichting. 

 

Een redacteur van Quote Magazine heeft verweerder benaderd met een grote hoeveelheid informatie van een anonieme afzender. Daarmee is een gesprek geweest. Appellant vordert verklaring van recht dat verweerder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De rechtbank wijst dit af, het hof bekrachtigt het vonnis.

 

Dat verweerder dergelijke informatie met derden heeft gedeeld is echter niet gebleken. Het gaat om een afweging tussen twee hoogwaardige belangen – enerzijds het recht van appellant om gevrijwaard te blijven van beschadiging van zijn eer en goede naam (art. 8 EVRM) en anderzijds het recht van verweerder om vrijelijk zijn mening te kunnen uiten (art. 10 EVRM).

 

Het moet voor het lezerspubliek van Quote duidelijk zijn geweest dat het in alle vier citaten gaat om een mening van verweerder over de handelwijze van [appellant] en niet om de weergave van feiten. De citaten worden door de auteur van het artikel gebruikt om zijn verhaal over Veri Soda te vertellen.

 

Het hof wil tot slot wel aannemen dat het Quote-artikel negatieve gevolgen heeft gehad voor appellant. De teneur van het artikel is immers weinig positief over de gang van zaken bij Veri Soda en de rol van appellant daarin. Maar dat de toonzetting van het Quote-artikel wezenlijk anders zou zijn geweest indien de vier citaten daarin niet waren opgenomen, acht het hof niet aannemelijk. De conclusie is dat van onrechtmatig handelen van verweerder ter zake van de vier citaten geen sprake is.

 

Volgens appellant was verweerder zich ervan bewust dat hij een onware beschuldiging uitte. In het licht van de overige verwijten die verweerder aan het adres van appellant heeft gemaakt, gaat het om een “venijnige verdachtmaking die de reputatie van appellant bij de investeerders de nekslag geeft.” De 24 investeerders naar wie de e-mail is gestuurd, vertegenwoordigen voor een belangrijk deel invloedrijke financiers en vermogende partijen. Door appellant tegenover deze investeerders af te schilderen als een anonieme bron die stiekem vertrouwelijke informatie aan journalisten heeft gelekt, is diens geloofwaardigheid en integriteit ernstig aangetast. Ook later heeft verweerder deze beschuldigingen in mailings aan de investeerders geuit, aldus appellant.

 

Echter het hof oordeelt dat niet vaststaat wie de anonieme bron voor het Quote-artikel was. Het Hof bekrachtigt de afgewezen vorderingen waarvan beroep.

 

ECLI:NL:GHDHA:2022:2357