Trade ID verwijt partij B2 en partij B1 dat zij hun verplichtingen uit de franchiseovereenkomst niet zijn nagekomen. Volgens Trade ID heeft zij daardoor schade geleden. In de hoofdzaak vordert Trade ID verklaringen voor recht, een verbod op (dreigende) inbreuk op haar handelsnaamrecht en overdracht van domeinnamen. Teneinde de omvang van haar schade te kunnen vaststellen vordert Trade ID in het incident diverse bescheiden van partij B1, B2 en B4. De vorderingen van Trade ID in de hoofdzaak zijn (grotendeels) toewijsbaar.
HANDELSNAAMRECHT - GEBRUIK DOMEINNAAM - FRANCHISING
De rechtbank beoordeelt het non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst en oordeelt dat dit zowel voor [partij B1] als opvolgend franchisenemer [partij B2] geldt. Uit de onderhandelingsgeschiedenis blijkt dat [partij B1] bewust akkoord is gegaan met het beding. Bij de omzetting naar een B.V. in 2020 is geen gewijzigde bedoeling overeengekomen. Het beding blijft dan ook gelden voor [partij B1]. De tekst van de overeenkomst bevat mogelijk een verschrijving, maar die beperkt de werkingssfeer niet. De rechtbank oordeelt dat [partij B1] binnen een jaar na beëindiging van de overeenkomst werkzaam was bij een concurrent, en dus het beding heeft overtreden; voor [partij B2] is dat niet vastgesteld. Ook is [partij B2] tekortgeschoten in haar verplichting zich in te spannen om het verkooppunt aan Trade ID of derden aan te bieden. Het geboden bedrag was niet realistisch en er is verder geen serieuze poging gedaan. Overige verplichtingen uit de overeenkomst zijn onvoldoende onderbouwd of niet geschonden.
Trade ID stelt dat [partij B1 en B5] (dreigende) inbreuk maken op haar handelsnaamrecht door gebruik van de oudere handelsnaam, wat verwarringsgevaar veroorzaakt. Partij B c.s. betwist dat Trade ID rechthebbende is, stelt dat zij niet aan het handelsverkeer deelneemt, en betwist inbreuk en verwarringsgevaar. De rechtbank oordeelt dat Trade ID wel bevoegd is het handelsnaamrecht te handhaven en vordering mag instellen. Echter, omdat partij B5 niet aan het handelsverkeer deelneemt, is er geen inbreuk. Ook voor partij B1 is geen handelwijze in strijd met het handelsnaamrecht bewezen, waardoor vorderingen tegen hem worden afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat de domeinnaam van [partij B3] verwarringwekkend is, omdat deze auditief, visueel en begripsmatig overeenkomt met de domeinnaam van Trade ID, enkel met een afwijkende plaatsnaam. Beide partijen opereren in dezelfde branche en regio, waardoor klanten gemakkelijk kunnen worden verward. Bovendien heeft [partij B1] de domeinnaam in april 2021 geregistreerd, terwijl hij wist van zijn franchiseverplichting en beëindiging, wat wijst op doelbewust profiteren van de naamsbekendheid van Trade ID. De overdracht aan [partij B3], waarvan [partij B1] bestuurder is, en het gebruik door [partij B4] versterkt dit. De rechtbank ziet geen legitiem belang bij het gebruik van de domeinnaam, behalve het creëren van verwarring en het belemmeren van Trade ID.
De rechtbank beveelt in het incident [partij B2] , B1 en B4 om binnen tien dagen na het vonnis afschrift beschikbaar te stellen van een lijst van de voorraden en inventaris. In de hoofdzaak: toerekenbaar tekortgeschoten in nakoming franchise en dus schadevergoeding. Tevens overdracht van domeinnaam.