Ontbreken merkregistratie is geen grond tot nietigheid licentieovereenkomst
29-06-2023 Print this page
Partijen hebben licentieovereenkomst tot gebruik naam en logo. Geen nietigheid licentieovereenkomst wegens strijd met artikel 3:40 lid 1 of 2 BW. Enig handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht en het maatschappelijk verkeer betaamt is niet komen vast te staan: appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat [Y] Holding Stichting [Y] Zorg en/of haar Raad van Toezicht enige relevante informatie heeft onthouden en dat [Y] Holding appellanten bewust op het verkeerde been heeft gezet. Ook geen sprake van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden: er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld dat de bestuurders in de onjuiste veronderstelling verkeerden dat [naam] haar recht had geregistreerd, en dat Stichting [Y] dus een licentie nodig had om van het merk gebruik te kunnen maken.
IE-OVEREENKOMSTEN - LICENTIES
Partijen hebben opeenvolgende licentieovereenkomsten gesloten ten aanzien van een naam en het bijbehorende logo. Geïntimeerde Y maakt op grond van die overeenkomsten aanspraak op het onbetaald gebleven deel van de verschuldigde vergoedingen: €121.000. De rechtbank veroordeeld Stichting X Zorg tot betaling.
Omdat het merk waarop de licentieovereenkomsten betrekking hadden destijds niet was geregistreerd, beroepen appellanten zich tot hun verweer op nietigheid of vernietigbaarheid van de licentieovereenkomsten wegens strijd met de goede zeden, het winstuitkeringsverbod van artikel 2:285 lid 3 BW en/of wilsgebreken (bedrog, dwaling en misbruik van omstandigheden). Ook beroepen zij zich op onrechtmatig handelen en ongerechtvaardigde verrijking en vorderen zij schadevergoeding gelijk aan de onder de overeenkomsten betaalde vergoedingen.
Het hof merkt bovendien op dat, als de bedoeling van partijen wel was gericht op het verkrijgen van een licentie ten aanzien van een geregistreerd merkrecht, niet valt in te zien dat de omstandigheid dat dit recht niet was geregistreerd de gesloten overeenkomst nietig zou maken wegens strijd met de goede zeden of openbare orde.
Als moet worden aangenomen dat de betrokken partijen beide niet op de hoogte waren van de regelgeving omtrent registratie, kan dit geen grond voor vernietiging van de overeenkomst opleveren. Uit het voorgaande volgt immers dat de rechtsgevolgen van de registratie voor partijen niet relevant waren, zodat niet kan worden aangenomen dat zij de overeenkomst niet hadden gesloten als zij wel op de hoogte waren geweest.
Het Hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeeld appellanten in de kosten €15.456 voor salaris in principaal hoger beroep en €2.576 voor salaris in incidenteel hoger beroep.