Acht omgekeerde vlaggen in een weiland

09-06-2023 Print this page
IEPT20230530, Rb Midden-Nederland, 8 omgekeerde vlaggen

Het plaatsen van een omgekeerde Nederlandse vlag moet worden aangemerkt als het uiten van een mening: vallen onder het recht op de vrijheid van meningsuiting. Het vlaggenverbod heeft geen grondslag in een wet in formele zin: het verbod is gebaseerd op de autonome verordenende bevoegdheid die provinciale staten hebben op grond van artikel 145 van de Provinciewet. Het provinciale vlaggenverbod, voor zover dat betrekking heeft op het uiten van een mening, is onrechtmatig vanwege strijd met artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Het vlaggenverbod heeft namelijk een zeer ruime geografische reikwijdte, waardoor aan een vlag als zelfstandig uitingsmiddel redelijkerwijs geen gebruik van enige betekenis meer wordt gelaten. Daarbij mag het verbod niet worden gegeven in een provinciale verordening binnen de autonome verordenende bevoegdheid van provinciale staten, De motivering van het besluit voldoet ook niet aan artikel 10 EVRM: geen zorgvuldige afweging wat betreft het noodzakelijkheid van de dwangsom. Ook is een tijd lang gedogen op zichzelf onvoldoende om het beschermen van landschappelijke waarden te kunnen aanmerken als reëel maatschappelijk belang dat een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting rechtvaardigt vanwege het voorkomen van wanordelijkheden.

PUBLICATIE

 

Het plaatsen van een omgekeerde Nederlandse vlag moet worden aangemerkt als het uiten van een mening. Partijen zijn het ook over eens, omdat het algemeen bekend is dat omgekeerde vlaggen vanaf medio 2022 in het hele land worden gebruikt als uiting van onvrede over – onder meer – het stikstofbeleid van de Nederlandse overheid. De vlaggen worden om deze reden beschermd door het recht op de vrijheid van meningsuiting, zoals dat is vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

 

De voorzieningenrechter beoordeelt of provinciale staten het vlaggenverbod mochten opnemen in hun verordening, waarbij hij deze regeling toetst aan artikel 7 van de Grondwet. Omdat het gaat om een regeling van een orgaan van een lagere overheid, staat het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet hier niet aan in de weg: de rechter mag het provinciale vlaggenverbod (ook) aan de Grondwet toetsen.

 

Wat echter moet worden onderkend, is dat het vlaggenverbod een zeer ruime geografische reikwijdte heeft. Uit artikel 7.12 van de verordening volgt dat het verbod betrekking heeft op alle locaties binnen het ‘Gebied landschappelijke waarden’ die zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. 

 

Een boodschap op een vlag die op een erf wappert zal immers niet veel publiek bereiken.

 

Daarover oordeelt de voorzieningenrechter dat uit de formulering “voor een manifestatie” moet worden afgeleid dat de vlag bedoeld is als uiting ten behoeve van een manifestatie. De vlag kan dan niet zelf een manifestatie zijn. Nog ongeacht de precieze betekenis en bedoeling van het begrip manifestatie moet dan ook worden vastgesteld dat deze uitzondering het niet mogelijk maakt om met een vlag als losstaand uitingsmiddel gedachten en gevoelens te openbaren, terwijl dat wel is wat zich hier voordoet. De vlaggen van verzoeker staan er immers niet ter ondersteuning van een concreet in tijd of plaats af te bakenen manifestatie, maar zijn bedoeld als zelfstandige uiting van onvrede.

 

De voorzieningenrechter verwijst ter vergelijking naar de rechtspraak in de zaken over de tekst ‘Jezus redt’ op een boerderijdak en over het ‘colorverbod’ op uitingen van, onder andere, logo’s van verboden motorclubs.

 

Het vlaggenverbod is in strijd met artikel 7 van de Grondwet, zodat de last onder dwangsom daar niet op gebaseerd mocht worden. Afgezien daarvan voldoet de motivering van dat besluit niet aan de eisen van artikel 10 van het EVRM. De last onder dwangsom is onrechtmatig en het bezwaar van verzoeker heeft daarom een grote kans van slagen. Tegen die achtergrond is er vervolgens geen ruimte om in deze procedure gewicht toe te kennen aan de belangen die gedeputeerde staten desondanks hebben om landschappelijke waarden te beschermen. De voorzieningenrechter zal de last onder dwangsom schorsen in afwachting van een beslissing op verzoekers bezwaar.

Het gevolg van deze uitspraak is dat de acht omgekeerde vlaggen in het weiland van verzoeker mogen blijven staan, in ieder geval totdat gedeputeerde staten een beslissing op bezwaar nemen en als daartegen beroep wordt ingesteld, totdat de rechtbank uitspraak doet.

 

IEPT20230530, Rb Midden-Nederland, 8 omgekeerde vlaggen

ECLI:NL:RBMNE:2023:2457