Inzagevordering ex 843a kwalificeert als eis in de hoofdzaak voor 1019i Rv

20-06-2023 Print this page
IEPT20230612, Rb Noord-Holland, World Freight v Euro Cargo Aviation

Er is een termijn bepaald bij het verlenen van het verlof ex 1019i Rv van 8 weken. Inzagevordering ex 843a geldt als eis in de hoofdzaak. Er is geen sprake van verval van het IE-bewijsbeslag. Copyright notice is nog geen bewijs van MAKERschap, dat is een externe programmeur. Geen sprake van bedrijfsgeheim, dat gaat uit van beschikking over broncode en in deze procedure wordt nu juist inzage in broncode gevorderd. Gedeeltelijke opheffing bewijsbeslag.

 

EXHIBITIE - TRIPS-TERMIJN HOOFDZAAK
 

Inzage in een andere procedure heeft documentatie aan het licht gebracht die de aanleiding heeft gevormd voor een tweede bewijsbeslag onder ECA, vanwege het vermeend onrechtmatige gebruik van een softwareprogramma genaamd ‘Cargonizer’ en de doorontwikkelde versie daarvan genaamd ‘Cargovision’. De genoemde Cargonizer software is ontwikkeld tussen 2007 en 2009. Cargonizer is een database programma dat onder meer gebruikt wordt voor het boeken van vrachtruimte en versturen van facturen.


Artikel 1019i lid 1 Rv bepaalt dat in geval van conservatoir IE-bewijsbeslag de voorzieningenrechter bij het gelasten van de voorlopige voorziening een redelijke termijn bepaalt voor het instellen van een eis in de hoofdzaak.

 

Als de voorzieningenrechter geen termijn bepaalt verliest de voorlopige voorziening haar werking door het indienen van een verklaring als niet binnen 31 dagen (waarvan minstens 20 werkdagen) een eis in de hoofdzaak is ingesteld.


Hoewel 1019i Rv in het eerdere verlof niet uitdrukkelijk is genoemd, is er wel is bepaald dat de eis in de hoofdzaak binnen acht weken na definitieve afronding van de bewijsbeslagen moet zijn ingesteld. Deze termijn wijkt af van de standaardtermijn van 700 lid 3 Rv van twee weken. Het verlof moet dan ook zo begrepen worden dat beide termijnen daarin op acht weken na de definitieve afronding van de bewijsbeslagen zijn gesteld.


Een inzagevordering ex artikel 843a Rv in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is, wel degelijk kwalificeert als een ‘eis in de hoofdzaak’ in de zin van artikel 1019i Rv. Het bewijsbeslag is dus niet vervallen.

 

Op basis van de beschikbare informatie en stukken kan de voorzieningenrechter niet vaststellen of de broncode en database daadwerkelijk auteursrechtelijk beschermde werken zijn in de zin van artikel 10 Aw. Dat kan in het midden blijven omdat niet voldoende aannemelijk is geworden dat KAS de auteursrechthebbende is. Tussen partijen staat in ieder geval vast dat een externe programmeur is ingeschakeld voor het daadwerkelijk programmeren van de software en de database.

 

Van werkgeversauteursrecht 7 Aw is geen sprake, nu de overeenkomst met de externe programmeur geen arbeidsrelatie is. Ook vermoeden van auteursrecht door vermelding bij openbaarmaking ex 4 jo 8 Aw. Aan een copyright notice kan niet zonder meer een vermoeden van MAKERSCHAP worden ontleend. De broncode is aan een zeer beperkte en besloten kring van ontvangers, hoogstens twee werknemers en gedaagde, 'openbaar gemaakt', zodat er geen sprake is van openbaarmaking van de broncode ex 12 Aw. Ook is niet gebleken dat de auteursrechten zijn overgedragen.


De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het midden kan blijven of de broncode voldoet aan alle vereisten om als bedrijfsgeheim beschermd te kunnen worden. WFC heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij over de broncode beschikt, sterker nog, zij vordert inzage in de broncode. 

De conventionele vorderingen van WFC worden afgewezen. In reconventie wordt WFC bevolen de beslagen op te heffen. Verbod op executie van de dwangsom. Verbod op opnieuw bewijsbeslag tot voorlopige getuigenverhoren in het grotere geschil zijn afgerond. WFC wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagden.

 

ECLI:NL:RBNHO:2023:5381