Gedaagde heeft een lidmaatschapsovereenkomst gesloten met Koninklijke Horeca Nederland (KHN). Omdat gedaagde lid was van KHN, heeft KHN voor gedaagde muziekinstanties betaald voor de auteursrechten op de achtergrondmuziek in het café van gedaagde. Deze kosten heeft KHN vervolgens doorberekend aan gedaagde. Gedaagde heeft deze factuur van KHN niet betaald. KHN vordert daarom deze alsnog wordt betaald. Gedaagde voert aan dat hij de lidmaatschapsovereenkomst had opgezegd en dat hij niet wist dat KHN de muziekrechten voor hem betaalde. Zij heeft beide verweren echter onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter wijst daarom de vordering van KHN toe. Gedaagde moet de factuur van KHN nog betalen.
Het bedrag dat KHN vordert bestaat uit de kosten die KHN heeft moeten maken voor de muziekrechten van de muziek die [gedaagde] in zijn café heeft afgespeeld.
KHN stelt dat deze kosten terecht zijn gefactureerd omdat zij als vertegenwoordiger van haar leden, waaronder [gedaagde], de rechten bij muziekinstanties als Buma en Sena afdroeg. [Gedaagde] betwist dit en beweert dat zij direct facturen van Sena kreeg voor muziekrechten en dacht dat de facturen van KHN enkel lidmaatschapsbijdragen betroffen. Echter, [gedaagde] kon dit niet aantonen en leverde slechts een creditfactuur uit 2021 aan, terwijl de vordering betrekking heeft op 2020. De rechtbank acht de uitleg van KHN, dat zij deze muziekrechten mocht doorberekenen vanwege het lidmaatschap, voldoende onderbouwd.
Verder stelt [gedaagde] dat de overeenkomst met KHN in juni of juli 2020 is opgezegd, waardoor de facturen onterecht zouden zijn. KHN betwist dit en stelt dat zij zelf de overeenkomst heeft beëindigd na betalingsachterstand van [gedaagde]. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] deze bewering onvoldoende heeft onderbouwd, omdat geen exacte opzegdatum of bevestiging van opzegging werd overlegd. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de overeenkomst door [gedaagde] is opgezegd.
Tot slot verklaarde de directeur van [gedaagde] tijdens de zitting dat het bedrijf een ‘lege’ besloten vennootschap is, wat zou impliceren dat er geen vermogen is om te betalen. De rechtbank stelt echter dat de overeenkomst nog steeds juridische verplichtingen creëert, ongeacht de financiële status van de vennootschap. Daarmee blijft [gedaagde] gehouden om de openstaande facturen aan KHN te voldoen.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om aan KHN te betalen een bedrag van € 387,99 en veroordeelt gedaagde in de proceskosten van €450,22.