Omvang licentievergoeding softwarepakket is onzakelijk voor Belastingdienst
19-02-2025 Print this page
Licentievergoeding onzakelijk indien licentienemer de verdere ontwikkeling volledig voor eigen rekening verricht. Tegenover de verschuldigde licentievergoeding moet een reële prestatie van de licentiegever staan. Indien de licentienemer slechts een basisconcept in gebruik heeft gekregen en de verdere ontwikkeling van de software volledig voor eigen rekening verricht, is een licentievergoeding van 30% tot 50% van de gerealiseerde omzet volstrekt onzakelijk. Een licentievergoeding van 10% van de gerealiseerde omzet is zakelijk, zolang de licentiegever nog kosten maakt voor de doorontwikkeling van het product.
Belanghebbende heeft als doel het ontwikkelen van software, het leveren van hard- en software, het ontwikkelen van internetactiviteiten en het aanleggen en beheren van netwerken, alsmede het adviseren daaromtrent en voorts het geven van opleidingen op vorenstaande gebieden. Belanghebbende exploiteert het softwareprogramma, een “web based” softwareprogramma, dat multifunctioneel en modulair is opgezet en wordt aangeboden voor elk type organisatie. Het biedt ondersteuning op het gebied van relatiebeheer, logistiek, projectplanning, personeel & organisatie, websitebeheer en winkelautomatisering. Door middel van pakketten/modules kan het programma worden aangepast aan de specifieke wensen van klanten.
Het hof beoordeelt of de licentievergoeding van [naam 2] een reële tegenprestatie heeft. [Naam 2] bezit de intellectuele eigendom van [programma], maar belanghebbende ontwikkelt het product verder op eigen kosten. De licentievergoeding van aanvankelijk 30% en later 50% van de omzet is volgens het hof onzakelijk, omdat belanghebbende zelf de ontwikkelkosten draagt.
Daarnaast wijst het hof op onzakelijke betalingswijzen, zoals late facturatie en een betaling in 2007 die niet als licentievergoeding kan worden aangemerkt. De licentievergoedingen werden pas gefactureerd na omzetopgave door belanghebbende, zonder controle door [naam 2]. In 2016 werd de overeenkomst opgezegd, waarna lagere vergoedingen werden afgesproken, maar niet in rekening gebracht.
Het hof oordeelt dat de overeengekomen vergoeding onzakelijk is en stelt een redelijke vergoeding vast op 10% van de omzet, die vanaf 2014 niet meer redelijk is omdat belanghebbende de volledige ontwikkeling draagt. Gezien de wanverhouding tussen prestatie en tegenprestatie, concludeert het hof dat het grootste deel van de betalingen niet aftrekbaar is van de winst.
IEPT20241023, Hof Den Bosch, Belastingdienst v SPF
ECLI:NL:GHSHE:2024:3305