Begrip ‘gemiddelde consument’ sluit niet uit dat besluitvaardigheid van een persoon verstoord kan worden: Redelijke geïnformeerdheid sluit niet uit dat een handelspraktijk economisch gedrag van fictieve consument kan verstoren. Ook niet uitgesloten dat rekening wordt gehouden met de invloed die cognitieve vertekeningen op de gemiddelde consument kunnen hebben. Echter heeft niet elk risico van cognitieve vertekening door een handelspraktijk onvermijdelijk tot gevolg dat het gedrag van die fictieve consument wezenlijk wordt verstoord. Handelspraktijk waarbij aan consument gelijktijdig persoonlijke lening en niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden is niet onder alle omstandigheden agressief of oneerlijk: Een dergelijke praktijk waarbij geen bedenktijd wordt gegeven tussen ondertekening van de overeenkomsten, betekent niet zonder meer dat sprake is van druk of ongepaste beïnvloeding, zelfs wanneer deze praktijk kan leiden tot vertekening door framing. Richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29 verzet zich niet tegen nationale maatregel die handelaar verplicht aan een consument een redelijke bedenktijd te geven tussen ondertekening van verzekerings- en leningsovereenkomst: Wanneer een nationale autoriteit heeft vastgesteld dat de handelspraktijk van de betrokken handelaar ‘’agressief’’ of ‘’oneerlijk’’ is, en geen andere, minder ingrijpende middelen bestaan die de vrijheid van ondernemerschap minder aantasten. Artikel 24 lid 3, van de richtlijn verzekeringsdistributie 2016/97 verzet zich niet tegen nationale maatregel die handelaar met ‘’agressieve’’ of ‘’oneerlijke’’ handelspraktijk kan verplichten consumenten een redelijke bedenktijd te bieden tussen ondertekening van de betrokken overeenkomsten: De bepaling verplicht nationale autoriteiten niet verder te gaan dan de richtlijn, maar verlangt enkel dat consumenten bij koppelverkoop producten of diensten ook afzonderlijk kunnen aanschaffen. Maar sluit evenmin uit dat autoriteiten gebruikmaken van hun bevoegdheden op grond van richtlijn 2005/29 om oneerlijke of agressieve handelspraktijken te beëindigen.
Uit de samenvatting minbuza.nl C-464/22 Compass Banca
De verwijzende rechter benadrukt dat de AGCM ervan uit lijkt te gaan dat het begrip „gemiddelde consument”, in de zin van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument, weliswaar nog geldig en aanvaardbaar is, maar dat daarbij tegenwoordig naar behoren rekening moet worden gehouden met theorieën over beperkte rationaliteit, die hebben aangetoond dat personen vaak handelen zonder alle noodzakelijke informatie te hebben begrepen en, in vergelijking met de beslissingen die een hypothetische omzichtige en oplettende persoon zou nemen, irrationele beslissingen nemen. De beperkte rationaliteit komt bijvoorbeeld tot uiting in de gevolgen van het kader waarin de informatie wordt geplaatst (het zogeheten framingeffect): mensen wijzigen hun voorkeuren naargelang van de wijze waarop bij de communicatie relevante gegevens worden gekwalificeerd of alternatieven worden gepresenteerd.
In casu werd zowel een financiering als een verzekeringspolis in een zodanige context aangeboden dat de consument uiteindelijk dacht dat de financiering niet kon worden verkregen zonder tevens de verzekeringspolis te ondertekenen met name wegens het feit dat de polis werd voorgesteld met betrekking tot gebeurtenissen die geen verband hielden met het krediet, maar invloed hadden op de capaciteit om de lening binnen de termijnen en volgens de voorwaarden af te lossen. Richtlijn 2005/29 lijkt ook rekening te houden met het framingeffect.
Gestelde vragen:
1. Moet het in richtlijn 2005/29 gebruikte begrip ,gemiddelde consument’, opgevat als een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument – wegens de elasticiteit en onbepaaldheid ervan – niet worden geformuleerd in het licht van de beste wetenschappelijke kennis en ervaring, en bijgevolg verwijzen naar niet alleen het traditionele begrip van de homo economicus, maar ook naar aanvaarde recentere theorieën over beperkte rationaliteit die hebben aangetoond dat personen bij hun handelen de noodzakelijke informatie vaak beperkt begrijpen en beslissingen nemen die ‚irrationeel’ zijn in vergelijking met de beslissingen die een hypothetische omzichtige en oplettende persoon zou hebben genomen, uit welke aanvaarde theorieën volgt dat de betrokken consumenten beter moeten worden beschermd tegen het – in de moderne marktdynamieken steeds vaker voorkomende – gevaar van cognitieve beïnvloeding?
2. Kan een handelspraktijk waarbij het, als gevolg van ‚framing’ van informatie, kan lijken dat een keuze verplicht is en er geen alternatieven zijn, zonder meer als ‚agressief’ worden aangemerkt, gelet op artikel 6, lid 1, van richtlijn [2005/29...], waarin is bepaald dat als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die de gemiddelde consument, ,inclusief door de algemene presentatie’, bedriegt of kan bedriegen?
3. Rechtvaardigt richtlijn [2005/29] dat de nationale mededingingsautoriteit de bevoegdheid heeft om (als eenmaal is vastgesteld dat het gevaar van psychologische beïnvloeding bestaat gezien: 1) het feit dat de persoon die om financiering vraagt, die financiering doorgaans nodig heeft, 2) de complexiteit van de overeenkomsten die de consument moet ondertekenen, 3) het feit dat de aanbiedingen gezamenlijk worden aangeboden, en 4) het feit dat voor de ondertekening van de aanbieding weinig tijd wordt gegeven) af te wijken van het beginsel dat verzekeringsproducten en niet-verwante financiële producten samen kunnen worden verkocht (koppelverkoop), door te voorzien in een bedenktijd van zeven dagen tussen de ondertekening van de twee overeenkomsten.
4. Staat in verband met deze bevoegdheid om agressieve handelspraktijken tegen te gaan richtlijn (EU) 2016/97, en met name artikel 24, lid 3, daarvan, in de weg aan een maatregel van de mededingingsautoriteit die op grond van artikel 2, onder d) en j), en de artikelen 4, 8 en 9 van richtlijn 2005/29 en de regeling waarbij die richtlijn in nationaal recht is omgezet, is vastgesteld na afwijzing van een voorstel voor toezeggingen dat een beleggingsmaatschappij had geformuleerd na andere toezeggingen te hebben geweigerd, in geval van koppelverkoop van een financieel product en een verzekeringsproduct dat geen verband houdt met dit financiële product – en indien het gevaar van beïnvloeding van de consument bestaat wegens de omstandigheden van het specifieke geval, die ook kunnen worden afgeleid uit de complexiteit van de te onderzoeken documentatie – waarbij de consument een bedenktijd van 7 dagen wordt toegekend tussen de formulering van het gekoppelde voorstel en de ondertekening van de verzekeringsovereenkomst?
5. Kan het feit dat de koppeling van een financieel en een verzekeringsproduct zonder meer als een agressieve praktijk wordt aangemerkt ertoe leiden dat een regelgevingshandeling niet is toegestaan, en zou dit feit er niet toe leiden dat de (moeilijk te vervullen) verplichting om aan te tonen dat er geen sprake is van een met richtlijn 2005/29 strijdige agressieve handelspraktijk op de handelaar (en niet op de AGCM, zoals het zou moeten zijn) komt te rusten (te meer daar voornoemde richtlijn de lidstaten niet toestaat om strengere maatregelen vast te stellen dan die welke daarin zijn omschreven, zelfs niet om een hoger niveau van consumentenbescherming te verzekeren)? Of is er daarentegen geen sprake van een dergelijke omkering van de bewijslast, mits op basis van objectieve elementen wordt geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat dat de consument die financiering nodig heeft, door een complex gezamenlijk aanbod wordt beïnvloed?”
Antwoord HvJEU:
1) Richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29/EG moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „gemiddelde consument” in de zin van deze richtlijn moet worden gedefinieerd door uit te gaan van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument. Een dergelijke definitie sluit echter niet uit dat de besluitvaardigheid van een persoon kan worden verstoord door vormen van dwang, zoals cognitieve vertekeningen.
2) Artikel 2, onder j), artikel 5, leden 2 en 5, en de artikelen 8 en 9 van richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29 moeten aldus worden uitgelegd dat de handelspraktijk waarbij aan de consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet met die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden, niet een handelspraktijk is die onder alle omstandigheden agressief is en zelfs niet een handelspraktijk is die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van deze richtlijn.
3) Richtlijn oneerlijke handelspraktijken 2005/29 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale maatregel op grond waarvan een nationale autoriteit, zodra is vastgesteld dat een handelspraktijk van een bepaalde handelaar „agressief” of, meer algemeen, „oneerlijk” is, die handelaar kan verplichten om aan de consument een redelijke bedenktijd te geven tussen de datum van ondertekening van de verzekeringsovereenkomst en die van ondertekening van de leningsovereenkomst, tenzij er andere middelen bestaan die de vrijheid van ondernemerschap minder aantasten en even doeltreffend zijn om een einde te maken aan die „agressieve” of „oneerlijke” praktijk.
4) Artikel 24, lid 3, van richtlijn verzekeringsdistributie 2016/97 moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een nationale autoriteit van een handelaar wiens framing als „agressief” is aangemerkt in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 of, meer algemeen, als „oneerlijk” in de zin van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, vereist dat hij, om een einde te maken aan die praktijk, de consument een redelijke bedenktijd geeft tussen de datums van ondertekening van de betrokken overeenkomsten.
IEPT20241114_HvJEU_Compass_Banca
ECLI:EU:C:2024:957 en zaak C-646/22