HvJ EU: Particulier kan tegenwerpen dat nationale billijke vergoedingsregeling in strijd is met InfoSoc-Richtlijn

19-11-2024 Print this page
IEPT20241114, HvJEU, Reprobel v Copaco

Bepalingen inzake billijke compensatie voor reprografie en privékopieën (Artikel 5(2)(a) en(b) Auteursrechtrichtlijn) hebben rechtstreekse werking: zodat particulieren zich direct bij onjuiste omzetting van de bepaling zich daarop kunnen beroepen om toepassing te verhinderen van nationale regels die hem verplichten een vergoeding ter billijke compensatie te betalen die strijdig is met deze bepaling. De bepalingen verzetten zich er tegen dat een entiteit belast met inning en verdeling van de billijke compensatie voor de vervulling van deze taak van algemeen belang beschikt over bijzondere (informatie)bevoegdheden die verder gaan dan wat in betrekkingen tussen particulieren geldt.  

 

Zaak C-230/23 Reprobel v Copaco

 

Uit de samenvatting minbuza.nl:

COPACO (verweerster) is in de loop van de procedure in juni 2021, februari 2022 en juli 2022 overgegaan tot het afsluiten van drie dadingsovereenkomsten met REPROBEL (verzoekster) waardoor de oorspronkelijke vordering van REPROBEL in de vorm van openstaande facturen ad. 1.116.995,67 € teruggebracht werd tot een bedrag van 28.614,49 €; in het kader van de afgesloten dadingsovereenkomsten. Verzoekster vordert verweerster te veroordelen tot betaling aan eiseres van de herleide hoofdsom van 28.614,49 €, BTW inbegrepen, te vermeerderen met verwijlinteresten (8,5% voor de periode tot en met 30 juni 2016 en 8% vanaf 1 juli 2016), vanaf de vervaldagen van de respectievelijke facturen, en dit tot op datum van dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet tot op datum van algehele betaling en verweerster te veroordelen tot betaling aan eiseres van een vrijwillig herleide schadevergoeding.
 

Gestelde vragen:

1) Is een entiteit, zoals Reprobel, in de mate dat ze door de Staat via een Koninklijke opdracht werd belast met de inning en de verdeling van de bij de Staat vastgestelde billijke compensatie(s) in de zin van artikel 5 lid 2 a en b van richtlijn 2001/29, en waarover de Staat toezicht uitoefent, een entiteit tegen wie een particulier, voor zijn verweer, de strijdigheid met het Unierecht kan inroepen van een nationale norm die deze entiteit aan deze particulier wenst op te leggen?
 

2)      Is het bij de beantwoording van deze vraag van belang dat het door de Staat op deze entiteit uitgeoefend toezicht onder meer inhoudt:
–  de verplichting voor deze entiteit om steeds een kopie van zijn verzoek om gegevens aan de vergoedingsplichtigen, nodig zowel voor de inning als voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie, toe te zenden aan de bevoegde minister, zodanig dat hij op de hoogte kan blijven van de wijze waarop de entiteit het recht op toezicht uitoefent en kan uitmaken of het raadzaam is om door middel van een ministerieel besluit de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken om gegevens op zodanige wijze te bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen;
– de verplichting voor de entiteit om een beroep te doen op de vertegenwoordiger van de Minister om een verzoek om gegevens, nodig voor de inning van de evenredige vergoeding voor reprografie, te verzenden aan de vergoedingsplichtigen, aan de dealers, ongeacht of zij groothandelaar of kleinhandelaar zijn, aan de leasingbedrijven of aan de bedrijven voor onderhoud van apparaten, indien de vergoedingsplichtige niet aan de inning heeft meegewerkt, met dien verstande dat de entiteit tevens de verplichting heeft een kopie van dit verzoek aan de bevoegde minister te zenden zodanig dat die de inhoud, het aantal en de frequentie van de verzoeken op zodanige wijze kan bepalen dat zij de activiteiten van de ondervraagde personen niet meer dan nodig hinderen;
– de verplichting voor de entiteit om de verdelingsregels inzake de vergoeding voor reprografie, alsook elke wijziging die het daarin aanbrengt, ter goedkeuring voor te leggen aan de bevoegde minister;
– de verplichting voor de entiteit om het door hem opgestelde aangifteformulier ter goedkeuring voor te leggen aan de bevoegde minister, zonder dewelke het niet kan worden uitgereikt?

 

3) Is het bij de beantwoording van de vraag tevens van belang dat de entiteit beschikt over de navolgende bevoegdheden:
– de bevoegdheid om alle gegevens op te vragen die nodig zijn voor de inning van de vergoeding voor reprografie bij alle personen die vergoedingsplichtigen, bijdrageplichtigen, dealers, ongeacht of zij groothandelaar of kleinhandelaar zijn, leasingbedrijven en bedrijven voor onderhoud van apparaten zijn. Waarbij elk verzoek steeds verplicht moet gebeuren met vermelding van de strafsancties die gelden ingeval de opgelegde termijn niet in acht wordt genomen of onvolledige of onjuiste gegevens worden verstrekt;
– de bevoegdheid om alle vergoedingsplichtigen te verzoeken alle gegevens betreffende de gekopieerde werken te verstrekken die nodig zijn voor de verdeling van de vergoeding voor reprografie;
– de bevoegdheid om alle nodige inlichtingen voor het uitvoeren van haar opdracht te bekomen bij de Administratie der Douane en Accijnzen, de Administratie van de btw en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid?

4) Heeft artikel 5, lid 2, onder a) en onder b), van richtlijn 2001/29 rechtstreekse werking?

5) Dient een nationale rechter op verzoek van een particulier een nationale norm buiten toepassing te laten wanneer deze door de Staat opgelegde norm strijdig is met voornoemd artikel 5 a) en b) van richtlijn 2001/29, meer bepaald omdat die norm in strijd met voornoemd artikel deze particulier verplicht heffingen te betalen?

 

Antwoord HvJEU:

1)      Artikel 5, lid 2, onder a) en b), van [InfoSoc-richtlijn] moet aldus worden uitgelegd dat een particulier bij de nationale rechter aan een entiteit die door een lidstaat is belast met de inning en verdeling van de billijke compensaties die overeenkomstig deze bepaling zijn vastgesteld, kan tegenwerpen dat de nationale regeling die in deze compensaties voorziet in strijd is met Unierechtelijke bepalingen die rechtstreekse werking hebben, wanneer een dergelijke entiteit voor de vervulling van deze taak van algemeen belang over bijzondere bevoegdheden beschikt die verder gaan dan die welke voortvloeien uit de regels die in de betrekkingen tussen particulieren gelden.


2)      Artikel 5, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft, zodat een particulier zich bij onjuiste omzetting van deze bepaling daarop kan beroepen om de toepassing te verhinderen van nationale regels die hem verplichten om een vergoeding ter billijke compensatie te betalen die in strijd met deze bepaling is opgelegd.

 

IEPT20241114_HvJEU_Reprobel_v_Copaco
ECLI:EU:C:2024:951 en zaak C-230/23