In 2018 zijn een schilder en interieurondernemer een samenwerking gestart, die in 2020 eindigde. In 2023 sommeerde de schilder de ander te stoppen met het wekken van de indruk dat hij nog verbonden is aan zijn bedrijf, o.a. via gebruik van projectfoto’s en handelsnaam. De schilder stelt auteursrechtinbreuk en handelsnaaminbreuk, maar onderbouwt dit onvoldoende. De overgelegde bewijsstukken zijn onduidelijk van herkomst en datum. Er staat niet vast dat er na november 2023 nog sprake was van inbreuk. De vorderingen tot schadevergoeding, staking en dwangsom worden afgewezen, net als bewijslevering en de beoordeling van auteursrecht, vanwege gebrek aan juridische onderbouwing.
Partijen (schilder en interieur-ondernemer) zijn in 2018 samenwerking aangegaan met als doel financieel aantrekkelijke afspraken te maken over de verkoop van verf en het uitvoeren van schilderwerken. Dit is in 2020 beëindigd. In 2023 heeft schilder gesommeerd om niet langer de schijn op te wekken dat hij werkzaam is bij of geaffilieerd is met hem, waaronder gebruik van foto's van afgeronde schilderprojecten en handelsnaamgebruik op website en Google resultaten.
De handelsnaam wordt door de schildersonderneming sinds 2018 gevoerd in het commerciële circuit. Verder heeft gedaagde zich schuldig gemaakt aan auteursrechtschending door foto's, die in opdracht van schilder zijn gemaakt van haar schilderwerken, op zijn eigen website te plaatsen.
Hoewel het in het midden kan blijven of er daadwerkelijk sprake is van een inbreuk op het handelsnaamrecht van de eisende partij, wordt de vordering tot schadevergoeding afgewezen omdat deze niet is onderbouwd. De eisende partij stelt omzetschade te hebben geleden, maar levert geen enkel bewijs of berekening van de schade. Tijdens de zitting kon zij dit ook niet toelichten.
De eisende partij stelt dat de gedaagde partij na 28 november 2023 nog steeds inbreuk maakt, maar slaagt er niet in dit te onderbouwen. Hoewel op een printscreen “© 2024 [eisende partij]” staat, betwist de gedaagde dat dit online heeft gestaan en dat blijkt ook niet uit de productie. Bovendien is de herkomst en datum van de overgelegde printscreens onduidelijk, waardoor niet vaststaat dat er na die datum nog sprake is van gebruik van de handelsnaam. Daarom worden zowel de vordering tot staking als de gevorderde dwangsom afgewezen.
Hoewel de eisende partij tijdens de zitting een bewijsaanbod heeft gedaan, komt het niet tot bewijslevering omdat haar stellingen onvoldoende zijn onderbouwd. Geen beoordeling gestelde auteursrechtinbreuk, [eisende partij] heeft daaraan namelijk geen rechtsgevolgen verbonden.