Geen belang bij vordering voor toekomstige geneesmiddelprijzen

14-07-2025 Print this page
IEPT20250709, Rb Amsterdam, FTV v AbbVie

WAMCA-procedure. Geen belang ex artikel 3:303 BW. Volgens de Stichting Farma Ter Verantwoording heeft AbbVie (een geneesmiddelenfabrikant en octrooihouder) jarenlang een excessieve prijs voor het medicijn Humira gerekend en een buitensporige winst gemaakt. Dat zou ten koste zijn gegaan van andere noodzakelijke gezondheidszorg.

De Stichting vordert een verklaring voor recht dat AbbVie daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. De Stichting wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het verkrijgen van algemene normen, die in toekomstige gevallen voor een geneesmiddelenfabrikant gelden bij het bepalen van de prijs, zonder dat die normen concrete gevolgen hebben voor de partijen in de procedure, vormt niet een belang als bedoeld in artikel 3:303 BW en valt buiten het bereik van de civiele procedure.
 

ONRECHTMATIG

 

De vorderingen van FTV richten zich op de handelswijze van AbbVie bij de verkoop van Humira gedurende de periode dat AbbVie octrooigerechtigde was. Niet ter discussie staat dat AbbVie zich toen heeft bewogen binnen de grenzen van de geldende wettelijke voorschriften, die gericht zijn op het reguleren van de geneesmiddelenmarkt en het beheersen van prijzen. Toch stelt FTV dat sprake is van onrechtmatig handelen omdat AbbVie met de verkoop van Humira een ‘woeker’winst zou hebben gerealiseerd.

 

FTV beroept zich op verdragsrechtelijke normen, ongeschreven maatschappelijke normen en het mededingingsrecht, die volgens haar zijn geschonden ten koste van het verstrekken van andere wettelijk verzekerde basiszorg. Zij vordert geen schadevergoeding, maar uitsluitend een verklaring voor recht, met als doel een algemeen normerend effect voor toekomstige gevallen. Daarmee wil FTV duidelijkheid scheppen over de normen die gelden voor geneesmiddelenfabrikanten bij prijsbepaling van door octrooi beschermde medicijnen.

 

De rechtbank oordeelt echter dat FTV geen voldoende belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, zoals vereist in artikel 3:303 BW. Er is geen sprake van een rechtsvordering die tot rechtsherstel leidt: FTV streeft niet naar schadevergoeding of genoegdoening, en er wordt geen verandering bewerkstelligd in de rechtsverhouding tussen de nauw omschreven groep en AbbVie. Ook het door FTV gestelde belang van zorgverzekeraars of ziekenhuizen is een belang van derden en telt daarom niet mee.

 

Bovendien betreft de verklaring voor recht een afgesloten periode in het verleden en zal deze geen einde maken aan voortgaand onrechtmatig handelen. Volgens de rechtbank wenst FTV de casus van Humira aan te grijpen om een precedent te scheppen, maar “het verkrijgen van een algemene, voor toekomstige gevallen geldende norm, zonder dat daarvan enig rechtsgevolg uitgaat op de rechtsverhouding tussen de in deze procedure betrokken partijen,” vormt geen belang in de zin van artikel 3:303 BW en valt buiten het bereik van de civiele rechtsgang.

 

ECLI:NL:RBAMS:2025:4738