HvJ EU: EU-recht verzet zich niet tegen nationale regeling die geen minimumvergoeding geeft aan fonogramproducenten

25-07-2025 Print this page
IEPT20250710, HvJEU, UPFR v DADA Music

Unierecht verplicht niet tot een forfaitaire minimumvergoeding voor fonogramproducenten. Uit artikel 8 lid 2 van de Verhuurrichtlijn 2006/115 en artikel 16 lid 2 van de Richtlijn collectief beheer 2014/26 volgt niet dat lidstaten rechthebbenden een forfaitaire minimumvergoeding moeten garanderen. Deze bepalingen beogen juist te waarborgen dat rechthebbenden een vergoeding ontvangen die verband houdt met de economische waarde van het gebruik, waarbij de begrippen „billijke vergoeding” en „passende vergoeding” uniform moeten worden uitgelegd. Lidstaten hebben een ruime beoordelingsmarge bij het vaststellen van criteria voor die vergoeding, maar moeten daarbij Unierecht en het Handvest respecteren. Nationale rechter moet billijkheid en passendheid van vergoeding toetsen. Die toets vergt dat wordt gezocht naar een passend evenwicht tussen het belang van rechthebbenden en het belang van gebruikers, dit vereist dat hij onder meer rekening houdt met: de economische waarde van het gebruik in het handelsverkeer, de aard en reikwijdte van het gebruik en de waarde van de door de collectieve beheerorganisatie verleende dienst. In een geschil tussen particulieren kan een nationale rechter een nationale wet niet op grond van een richtlijn buiten toepassing laten, tenzij het nationale recht daarin zelf voorziet. Als gevolg van het feit dat richtlijnen geen verplichtingen kunnen opleggen aan particulieren en horizontale rechtstreekse werking missen. 
 


Zaak C-37/24 UPFR v DADA


Uit de samenvatting minbuza.nl:

Verzoekende partij in eerste aanleg is een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging van de naburige rechten van de producenten van fonogrammen ‘UPFR’. Verwerende partij is een exploitant van een plaatselijk radiostation ‘DADA Music SRL’ (hierna: DADA Music). De UFPR en DADA Music hebben op 20 oktober 2011 een niet-exclusieve licentieovereenkomst gesloten voor het uitzenden van commerciële fonogrammen, waarbij DADA Music het recht heeft verkregen om de fonogrammen via de radio uit te zenden en de verplichting op zich genomen om een billijke vergoeding te betalen. Er is onder andere afgesproken dat bij een gebrek aan inkomsten DADA Music de kosten die gemaakt zijn voor de uitzendactiviteit wel vergoedt. Vervolgens treedt een nieuwe nationale wet in werking en weigert DADA Music de forfaitaire minimumvergoeding nog te betalen. Op grond van deze wet hoeven deze vergoedingen alleen betaald te worden over daadwerkelijk verkregen inkomsten. UFPR heeft een rechtsvordering ingesteld tot betaling van het bedrag.


Het geschil ziet op de vraag of de nationale regelgeving die een einde maakt aan een billijke minimumvergoeding onmiddellijk van toepassing is in het hoofdgeding, of dat dit in strijd is met artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, van richtlijn 2014/26. De verwijzende rechter stelt dat deze Unierechtelijke bepalingen voorschrijven dat de vergoeding die aan producenten van fonogrammen toekomt passend en redelijk moet zijn en dat het aan de nationale wetgever is om mechanismen in te stellen waarbij die passende vergoeding concreet wordt bepaald. De verwijzende rechter stelt vragen over welke criteria aan deze beoordeling kan worden gesteld. Tevens twijfelt hij over de verplichting tot een forfaitaire vergoeding en vraagt hij zich af of het beëindigen van vergoedingen die niet verwaarloosbaar zijn, strijd oplevert met artikel 17 Handvest.

 

Gestelde vragen 
 

1)      Moeten artikel 8, lid 2, van richtlijn [2006/115] en artikel 16, lid 2, tweede [alinea], van richtlijn [2014/26], beide gelezen in samenhang met de artikelen 17 en 52 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die geen (forfaitaire) billijke minimumvergoeding toekent aan rechthebbenden (producenten van fonogrammen), die worden vertegenwoordigd door collectieve beheerorganisaties, ongeacht de inkomsten of uitgaven van omroeporganisaties?

 

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: verzetten deze artikelen zich tegen een nationale regeling die met onmiddellijke ingang een einde maakt aan de (forfaitaire) minimumvergoedingen die zijn vastgesteld door middel van een methode waarover eerder is onderhandeld tussen een collectieve beheerorganisatie en gebruikers, zonder de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een uiterste termijn te bepalen voor de onderhandeling over nieuwe afspraken (methoden) om de hoogte van de billijke vergoedingen vast te stellen?

 

3)      Indien de eerste twee vragen ontkennend worden beantwoord: kan of (eventueel) moet de nationale rechter nagaan of de vergoedingen die zijn berekend als percentage van de concrete, door omroeporganisaties opgegeven inkomsten, billijk en redelijk zijn voor rechthebbenden en gebruikers, dan wel kennelijk verwaarloosbaar of buitensporig hoog zijn, en wat zijn de criteria die voor deze beoordeling kunnen worden toegepast?

 

4)      Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord en de nationale rechter vaststelt dat de verschuldigde vergoeding volgens de bij de nieuwe nationale regeling gewijzigde methode verwaarloosbaar is: kan of moet hij voor het vaststellen van de vergoeding andere criteria toepassen dan de opgegeven inkomsten – zoals de kosten die omroepen voor de uitzending hebben gemaakt, de vergoeding die vergelijkbare omroepen hebben betaald of soortgelijke criteria – om te zorgen dat rechthebbenden een passende vergoeding ontvangen zonder inbreuk te maken op de gerechtvaardigde belangen van gebruikers, dat wil zeggen een vergoeding die niet verwaarloosbaar is maar evenmin buitensporig belastend voor omroeporganisaties?

 

Antwoord HvJEU:

1)      Artikel 8, lid 2, van [Verhuurrichtlijn 2006/115/EG], artikel 16, lid 2, tweede alinea, van [richtlijn collectief beheer 2014/26/EU], alsmede artikel 17, lid 2, van het EU-Handvest, gelezen in het licht van artikel 52, lid 1, van het Handvest, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling waarbij geen forfaitaire minimumvergoeding wordt toegekend aan producenten van fonogrammen voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen en waarbij de bepalingen inzake forfaitaire minimumvergoedingen voor uitzendingen die zijn vastgesteld volgens een voorheen geldende methode met ingang van negentig dagen na de bekendmaking van die regeling worden ingetrokken, zonder evenwel de criteria voor de berekening van de vergoeding te wijzigen en zonder een termijn te bepalen voor de vaststelling van een nieuwe methode om de hoogte van die vergoeding te bepalen, mits die wetgeving de billijkheid of de passendheid van de aan de rechthebbenden betaalde vergoeding waarborgt en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.


2)      De nationale rechter die moet oordelen in een geding tussen particulieren over de vraag of de aan rechthebbenden betaalde vergoeding voor de uitzending van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen, berekend op de bij de nationale regeling vastgestelde wijze, dient na te gaan of deze vergoeding billijk of passend is in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115 en artikel 16, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2014/26, namelijk dat zij het evenwicht waarborgt tussen het belang van de rechthebbenden en het belang van de gebruikers van deze fonogrammen. Indien het niet mogelijk is om deze vergoeding vast te stellen op basis van die nationale regeling, kunnen de bepalingen van deze richtlijnen niet worden ingeroepen om die regeling buiten toepassing te laten, tenzij het nationale recht anders bepaalt.


IEPT20250710, HvJEU, UPFR v DADA Music
ECLI:EU:C:2025:551 en zaak C-37/24