Geheimhoudingsovereenkomst geschonden door 9x optreden, maar geen preventief publicatieverbod
14-08-2025 Print this page
Partijen, beiden publieke figuren, sloten na hun relatie een vaststellingsovereenkomst met geheimhoudingsbeding. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] negen keer het beding schond door in het openbaar te spreken over vermeend huiselijk geweld door [eiser], ook via vertegenwoordigers, wat €90.000 aan boetes oplevert. Het beding verhindert niet het doen van aangifte of algemene uitlatingen over huiselijk geweld. De overeenkomst is niet rechtsgeldig ontbonden; tekortkoming van [eiser] is niet vastgesteld. [gedaagde] is geen klokkenluider. Een publicatieverbod voor een boek van [gedaagde] wordt afgewezen: aan de strenge voorwaarden voor preventief ingrijpen is niet voldaan.
Partijen zijn publieke figuren die na beëindiging van hun relatie een vaststellingsovereenkomst met geheimhoudingsbeding hebben ondertekend. Omdat partijen publieke figuren zijn, hebben zij met de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst beoogd om verdere schade en leed richting elkaar te beperken. Uit de taalkundige betekenis van deze bewoordingen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [gedaagde] beperkt wordt in het doen van een aangifte van een door [eiser] tegen [gedaagde] gepleegd strafbaar feit of in de mogelijkheid om zich in algemene zin uit te laten over huishoudelijk geweld.
De rechtbank concludeert dat uitlatingen in het openbaar van [gedaagde] over vermeende mishandelingen door [eiser] wel onder de reikwijdte van de geheimhoudingsverplichting van zowel artikel 6 als artikel 7 vallen. De rechtbank is van oordeel dat uitlatingen door [gedaagde] ’ management, haar advocaten of andere vertegenwoordigers/woordvoerders onder de reikwijdte van het geheimhoudingsbeding uit artikel 6 en 7 vallen.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn uitleg voor zover hij meent dat persuitingen die worden overgenomen door andere media opnieuw als zelfstandige overtredingen van de geheimhoudingsverplichting kunnen worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt ook het standpunt van [eiser] dat de overtredingen een voortdurend karakter kennen, zolang de publicaties nog altijd raadpleegbaar zijn en [gedaagde] niet is overgegaan tot rectificatie.
De vaststellingsovereenkomst is niet rechtsgeldig ontbonden
[gedaagde] stelde dat [eiser] zijn verplichtingen niet nakwam door persoonlijke spullen niet terug te geven en door uitspraken over de overeenkomst te doen. [eiser] betwist dit en wijst erop dat de zus van [gedaagde] spullen heeft opgehaald en dat resterende kleding niet door [gedaagde] is opgehaald ondanks geboden gelegenheid. De rechtbank gaat daarvan uit en ziet geen tekortkoming.
Ook de verklaring van [eiser]’s advocaat dat de overeenkomst niet onder dwang is getekend, is geen schending van het geheimhoudingsbeding. Er zijn geen uitlatingen gedaan die onder de overeengekomen geheimhouding vallen. Omdat geen tekortkoming is vastgesteld, ontbreekt grond voor ontbinding.
Geen klokkenluider
[gedaagde] kan niet als klokkenluider in de zin van die wet worden aangemerkt, omdat haar aantijgingen aan het adres van [eiser] zien op de relationele sfeer en niet om misstanden op de werkvloer.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] in totaal negen (9) keer het geheimhoudingsbeding overtreden door mededelingen in het openbaar over vermeend huiselijk geweld door [eiser] . En heeft zodoende €90.000 aan boetes verbeurd. Er is geen grond voor matiging. Het beroep van [gedaagde] op matiging was gericht tegen de oorspronkelijke boetevordering van € 2.303.000,00, waarvan door de rechtbank een relatief gering gedeelte van € 90.000 is toegewezen.
Geen publicatieverbod
Eiser voert aan dat de structurele schending van de geheimhouding door [gedaagde] een zwaarwegend belang oplevert om inzage te verkrijgen in de tekst van het boek om vast te stellen dat daarin geen overtredingen van de geheimhouding zijn opgenomen en publicatie te voorkomen totdat is komen vast te staan dat de geheimhouding wordt gerespecteerd in het boek, dan wel dat er geen onrechtmatige uitlatingen over [eiser] worden gedaan in voornoemd boek. Als [gedaagde] overgaat tot publicatie van het boek en daarin overtredingen van de geheimhouding, dan wel onrechtmatig uitingen over [eiser] zijn opgenomen, dan is de schade en het leed dat [eiser] daarvan zal lijden volgens hem van grote omvang en niet terug te draaien.
Het boek staat nog niet in de planning om uitgegeven te worden. Volgens [gedaagde] staat nog niets vast: hoofdstukken worden aangepast, passages toegevoegd of verwijderd. Wat er precies wel of niet in het boek gaat komen, is nog steeds onbekend. [eiser] speculeert slechts over wat hij denkt dat mogelijkerwijs in het boek zou kunnen worden opgenomen, maar hij kent het manuscript helemaal niet. Een publicatieverbod op het boek en inzage in het boek om zo in een vorm van preventieve censuur te bepalen hoe [gedaagde] zich mag uiten, gaat volgens haar veel te ver.
Aan deze strenge voorwaarden voor preventief ingrijpen is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet voldaan.
De rechtbank stelt eiser deels in het gelijk en veroordeelt gedaagde tot het betalen van een boete van €90.000. De rechtbank wijst het publicatieverbod voor het boek af. Aan de strenge voorwaarden voor preventief ingrijpen is niet voldaan.