Hevige emotionele toestand biedt geen rechtvaardiging

08-10-2025 Print this page
IEPT20250925, Rb Oost-Brabant, Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn

Verzetprocedure. Verzet ongegrond. Veroordeling verwijderen en verwijderd houden van onrechtmatige uitingen en verbod persoonsgegevens publiekelijk te openbaren. Belangenafweging recht op eer en goede naam als bedoeld in artikel 8 EVRM weegt in deze zaak zwaarder dan recht op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM.


PUBLICATIE-PRIVACY


LID houdt, in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (hierna:LVVN), toezicht op het welzijn van huis en hobbydieren in Nederland en treedt (zonodig) ook handhavend op.

 

Naar aanleiding van meldingen over het dierenwelzijn van pony’s van eiseres is onderzoek gedaan bij haar woning en zijn 15 pony’s bestuurlijk meegevoerd door de RvO in opdracht van de Staatssecretaris van LVVN. Eiseres plaatste daarop sociale mediaberichten waarin zij de gedaagden bij naam beschuldigde van diefstal, ambtsmisdrijven en meineed, en haar volgers tot actie opriep. De gedaagden deden aangifte. Op 16 mei 2025 vorderde LID c.s. in kort geding onder dwangsommen dat zij persoonsgegevens en beschuldigingen verwijderde en niet herhaalde. Het verstekvonnis wees deze vorderingen toe en veroordeelde [eiseres] in proceskosten. Haar verzet is ingesteld. Haar bezwaar tegen de bestuursdwangbeslissing werd door CBB (ECLI:NL:CBB:2025:241) en RvO ongegrond verklaard; de gezondheid van de pony’s rechtvaardigde spoedbestuursdwang.

 

[eiseres] stelt dat de rechtbank Oost-Brabant onterecht bevoegd is, nu zij in [woonplaats], gemeente [naam gemeente] woont, binnen het werkgebied van rechtbank Gelderland (art. 99 Rv). Haar uitlatingen volgden op het bestuurlijk meevoeren van haar vijftien pony’s, een ingrijpende maatregel met emotionele impact, en betroffen kritiek op het overheidshandelen. Ze beroept zich op art. 10 EVRM: vrijheid van meningsuiting omvat ook kritische of verontrustende uitingen over de overheid. Alle berichten zijn verwijderd, waardoor LID c.s. geen belang meer zouden hebben bij de veroordeling, of deze moet beperkt worden tot twee jaar. Tevens verzoekt [eiseres] de dwangsom te matigen. LID c.s. handhaven hun vorderingen.

 


Het verzet is tijdig en correct ingesteld. Het primaire verweer van [eiseres] dat de voorzieningenrechter onbevoegd was, wordt verworpen: op grond van art. 102 Rv is deze rechter mede bevoegd, nu de gewraakte berichten via social media in het werkgebied van de rechtbank zijn verspreid. De zaak wordt inhoudelijk beoordeeld. LID c.s. stelt dat de berichten van [eiseres] weliswaar verwijderd zijn, maar belang bij de veroordeling blijft bestaan. Bij de afweging tussen art. 10 en 8 EVRM oordeelt de rechter dat de uitlatingen van [eiseres] – zware, ongefundeerde beschuldigingen van diefstal, meineed en valsheid in geschrifte – de eer en goede naam van LID c.s. ernstig aantasten en geen bescherming verdienen onder art. 10 EVRM. 

 

Hevige emotionele toestand biedt geen rechtvaardiging. Het recht op bescherming van reputatie weegt zwaarder dan het recht op vrije meningsuiting. De verboden en dwangsommen blijven in stand; beperking in tijd of matiging is niet nodig. Het verstekvonnis wordt bekrachtigd en [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten (€1.107).
 

ECLI:NL:RBOBR:2025:5936