Onrechtmatige uitlatingen: geïnde dwangsommen, op één na, toch niet verbeurd
13-10-2025 Print this pagePartijen bemiddelen bij het verpachten van agrarische gronden. [Appellant] verspreidde e-mails met beschuldigingen van fraude en oplichting tegen De Hollandsche Pachtmeester c.s. en werd veroordeeld tot rectificatie en opgave van ontvangers. Het hof oordeelt dat dit alleen de e-mail van 29 april 2016 betrof. [Appellant] voldeed aan de rectificatie; slechts €1.000 aan dwangsommen is terecht wegens een nieuwe uitlating over “frauduleuze facturen”. Latere e-mails met termen als “wurgcontracten” en “malafide handel” zijn onrechtmatig en vormen misleidende reclame. Zijn uitingsvrijheid weegt minder zwaar dan de reputatieschade. Het hof verbiedt herhaling, verklaart hem aansprakelijk voor schade, acht rectificatie niet nodig en wijst terugbetaling van €77.032,37 grotendeels toe.
Partijen bemiddelen of beheren bij het in gebruik geven van percelen grond met agrarische bestemming. Appellant heeft per email bericht rondgestuurd over het doen van aangifte tegen De Hollandsche Pachtmeester c.s. wegens oplichting, fraude en laster. Bij de rechtbank is appellant veroordeelt om opgave te doen tegenover wie zij zich in negatieve zin heeft uitgelaten en om rectificatie te zenden. Er is medegedeeld dat de rectificatiebrief aan lang niet alle personen die daarvoor in aanmerking komen heeft verzonden en dwangsommen van € 75.000 is verbeurd en zich opnieuw negatief heeft uitgelaten en zodoende €95.000 heeft verbeurd. Er is executoriaal beslag gelegd op banksaldo en AOW-uitkering.
Geen verjaring of rechtsverwerking
De vordering van [appellant] is niet verjaard, omdat de verjaring tijdig is gestuit met de brief van 4 juni 2021. Een beroep op rechtsverwerking wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond geoordeeld. Enkel tijdsverloop is echter onvoldoende om te concluderen tot rechtsverwerking wegens het opwekken van gerechtvaardigd vertrouwen.
Uitleg van de veroordeling
Het hof stelt vast dat de veroordeling uitsluitend ziet op de e-mail van 29 april 2016, waarin [geïntimeerden] zijn beschuldigd van fraude en oplichting. Deze uitlatingen werden onrechtmatig en beledigend geacht. Andere negatieve e-mails of opmerkingen vallen niet onder de veroordeling, omdat er geen bewijs is dat de rechter ook die heeft beoordeeld of bedoeld in zijn uitspraak.
Rectificatie
Het hof oordeelt dat [appellant] met zijn e-mail heeft voldaan aan de opgelegde rectificatie. Hij citeerde de verplichte tekst letterlijk, bood excuses aan en verspreidde de mail aan alle ontvangers van het eerdere bericht. Kleine afwijkingen, zoals het ontbreken van “rectificatie” in het onderwerp, doen daaraan niet af. Er is geen bewijs dat hij iemand heeft overgeslagen of de inhoud heeft ontkracht.
Negatieve uitingen
Gelet op de door de voorzieningenrechter uitgevoerde weging en het belang dat hij heeft gehecht aan de uitingsvrijheid van [appellant] en het gegeven dat zijn uitlatingen op strafbare feiten zagen, is evident dat het verbod niet ziet op iedere denkbare negatieve uitlating en moet worden aangenomen dat dit is beperkt tot ongefundeerde beschuldigingen van oplichting en fraude. [appellant] spreekt in een e-mail van 5 juli 2016 echter wel over het door [bedrijf 3] sturen van “frauduleuze facturen” aan gebruikers. Deze overtreding leidt ertoe dat [appellant] een bedrag van € 1.000,00 wegens dwangsom verschuldigd.
Negatieve uiting na 13 juli 2016
Volgens [bedrijf 3] en [geïntimeerde] hebben zij in dit vonnis berust omdat [appellant] zich even rustig leek te houden, maar is [appellant] in de jaren 2020 en later weer nagenoeg ongeremd negatieve uitlatingen over [bedrijf 3] en [geïntimeerde] gaan doen.
Onrechtmatig vergelijkende reclame
Het hof oordeelt dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige vergelijkende reclame (art. 6:194a BW) door [bedrijf 3] en [geïntimeerde] in e-mails te beschuldigen van fraude, “wurgcontracten” en malafide handel, zonder bewijs. Zijn uitlatingen schaden hun naam en vormen ongeoorloofde concurrentie. Hoewel [appellant] zich beroept op zijn vrijheid van meningsuiting, weegt het belang van [bedrijf 3] en [geïntimeerde] zwaarder. Het hof verbiedt hem zulke aantijgingen te herhalen, verklaart hem aansprakelijk voor de schade, maar acht rectificatie niet nodig. Een algemeen uitlatingenverbod gaat te ver; het verbod beperkt zich tot onrechtmatige beschuldigingen.
Het hof komt in dit arrest tot het oordeel dat de dwangsommen, op één uitzondering na, niet zijn verbeurd. Het hof zal daarnaast aan [appellant] een nieuw verbod opleggen dat ertoe strekt dat hij zich onthoudt van uitlatingen in strijd met het bepaalde in artikel 6:194a BW.
Vordering van [appellant] tot terugbetaling van de geïnde bedragen (€77.032,37), grotendeels toewijsbaar is.
ECLI:NL:GHAMS:2025:2693
IEPT-versie volgt later