Universal hoeft geen hogere vergoeding voor streams/downloads te betalen

25-10-2025 Print this page
IEPT20251022, Rb Amsterdam, Artiesten v Universal
(Met dank aan Dirk Visser en Paul Kreijger, Visser Schaap & Kreijger)

Artiesten stellen dat Universal te lage royalty’s uitkeert voor digitale exploitatie van hun muziek, gebaseerd op oude contracten uit de tijd dat streaming nog niet bestond. Zij eisen herziening van die afspraken, een 50/50-verdeling van inkomsten en schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat Universal de overeenkomsten juist toepast en dat de tarieven niet onredelijk of onaanvaardbaar zijn. [eiser] heeft zijn rechten als fonogrammenproducent rechtsgeldig aan Universal overgedragen en zegt het contract niet geldig op. Streaming valt onder “new media exploitatie”. Alle vorderingen worden afgewezen.

 

ARTIESTENOVEREENKOMST

 

Eisers zijn artiest/muzikanten, Universal een platenmaatschappij. In drie zaken stellen artiesten dat Universal te lage tarieven hanteert als vergoeding voor digitale exploitatie van muziekopnamen; streams en downloads. Universal baseert die tarieven op oude contracten toen streaming nog niet bestond of nog in de kinderschoenen stond. De artiesten vorderen onder andere dat Universal de royalty’s anders berekent en ten minste 50% van de inkomsten uit digitale exploitatie aan de artiesten betaalt. De in het verleden gemaakte afspraken moeten volgens hen buiten werking worden gesteld of gewijzigd. Ook vorderen de artiesten vergoeding van de schade die zij hebben geleden doordat Universal in het verleden te lage royalty’s heeft berekend.

 

De rechtbank doet geen principe-uitspraak over hoe platenmaatschappijen in het algemeen (moeten) omgaan met de vergoeding voor artiesten van inkomsten uit streaming, maar beperkt zich tot een oordeel over de individuele zaken en de contracten die daarin voorkomen. Omdat de afspraken die de artiesten met Universal hebben gemaakt onderling verschillen en zij deels andere vorderingen hebben ingesteld, doet de rechtbank vandaag afzonderlijk uitspraak in alle drie de zaken.


Er komt niet vast te staan dat Universal de overeenkomsten verkeerd heeft toegepast en te lage royalty’s heeft betaald. Ook zijn de toegepaste tarieven niet onredelijk bezwarend of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hetzelfde geldt voor de (hogere) vergoeding die Universal sinds 2024 uitkeert. De rechtbank wijst de vorderingen die zien op het aanpassen van de overeenkomsten dan ook af.


De rechtbank oordeelt dat [eiser] aanvankelijk fonogrammenproducent was van het eerste album van [naam], maar zijn rechten via EMI rechtsgeldig aan Universal heeft overgedragen. Zijn vader was slechts geldschieter en dus geen medeproducent. Het contract tussen partijen blijft in stand; [eiser] heeft dit niet rechtsgeldig opgezegd of ontbonden, omdat geen zwaarwegende grond bestaat en Universal haar investeringen niet heeft terugverdiend. Streaming valt onder “new media exploitatie” volgens het contract, niet onder “overige exploitatie” of licentieverlening, en de 50/50-verdeling is niet van toepassing. De royaltybepalingen van vóór en na 1 juni 2023 zijn niet onredelijk bezwarend of onaanvaardbaar; van onrechtmatig handelen of schade door Universal is geen sprake.

 

De conclusie van de rechtbank is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Proceskosten worden niet volgens 1019h Rv berekend, omdat het niet gaan om handhaving, maar om uitleg van een contract en de uitvoering daarvan. Toewijzing van griffierecht, nakosten en salaris advocaat (totaal: €2.094)


IEPT-versie volgt later

ECLI:NL:RBAMS:2025:7762

ECLI:NL:RBAMS:2025:7763

ECLI:NL:RBAMS:2025:7772