Geen rectificatie uitlatingen advocaat PVO waarover aanwezige journalist schrijft

11-11-2025 Print this page
IEPT20251104, Hof Amsterdam, appelant v Stichting Persoonlijk VO

[appellant] vordert van PVO een rectificatie alsmede schadevergoeding voor uitlatingen die (de advocaat van) PVO heeft gedaan tijdens een zitting die door een derde tegen PVO was aangespannen. Bij een zitting aanwezige journalist schrijft publiceert hier vervolgens over. Volgens [appellant] zijn die uitlatingen jegens hem onrechtmatig en bovendien in strijd met een vaststellingsovereenkomst tussen partijen waarin zij waren overeengekomen zich niet meer negatief jegens elkaar uit te laten. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis.

 

GEEN ONRECHTMATIGE PUBLICATIE


Bij de zitting aanwezige journalist van de PZC heeft in een artikel onder meer geschreven "Eigenaar Isaac Beeckman-pand eist geld bij rechter: ‘Dit heeft voor ons alle schijn van belangenverstrengeling’." en "Het heeft voor PVO in ieder geval alle schijn van belangenverstrengeling” en “We hebben wel degelijk ons best gedaan de school open te houden maar we hebben nu eenmaal te maken met de erfenis van oud-bestuurder".


De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat als de bewuste uitlatingen al aangemerkt kunnen worden als een ‘publicatie van gegevens van feitelijke aard’ in de zin van artikel 6:167 BW. Het is niet aannemelijk is geworden dat de uitlatingen feitelijk onjuist zijn.


Ook uitingen en publicaties die feitelijk juist en niet misleidend zijn en daarmee buiten de werkingssfeer van artikel 6:167 BW vallen, kunnen onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld omdat ze onnodig grievend of smadelijk zijn. Er is niet tegen dit oordeel gegriefd.

Geen strijd met vaststellingsovereenkomst
Uit hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd leidt het hof af dat partijen met de vaststellingsovereenkomst een eind wilden maken aan hun onderlinge problemen, waarna ieder zijns weegs zou gaan en zich niet meer negatief over de ander zou uitlaten. Het hof stelt vast dat het beding in artikel 3 lid 5 in absolute bewoordingen is gesteld.


Nu aan het beding kennelijk ook volgens partijen geen absolute betekenis toekomt, dient het hof dan ook de vraag te beantwoorden of het beding, gelet op de onderliggende bedoeling daarvan, zo moet worden uitgelegd dat de omstreden uitlatingen van PVO’s advocaat tijdens de zitting in de procedure aangespannen door de verhuurder van het pand in [plaats 2] tegen PVO, daarmee in strijd zijn.


De uitlating van PVO dat rondom de huurovereenkomst en de Allonge ‘wat haar betreft’ “de schijn van belangenverstrengeling” hangt, relevant voor haar verweer tegen de vordering van de verhuurder, vindt die uitlating voldoende steun in de bij PVO op dat moment bekende feiten, en is die uitlating niet negatiever jegens [appellant] verwoord dan voor haar verweer nodig was.

De conclusie is dat PVO de omstreden uitlatingen ter zitting mocht doen en daarmee niet heeft gehandeld in strijd met de vaststellingsovereenkomst. Daarop stuiten alle grieven af.


Dat op de zitting een journalist aanwezig was verandert niets aan het voorgaande. De uitlatingen van PVO waren geen wanprestatie jegens [appellant] en PVO hoefde na afloop van de zitting dus ook geen stappen te zetten om publicatie van haar uitspraken te voorkomen of af te zwakken, nog daargelaten dat zij ook helemaal niet gaat over wat PZC wel of niet zou moeten publiceren over wat ter openbare zitting is gezegd.