Het niet verlengen van een franchiseovereenkomst met een looptijd van vijf jaar niet onrechtmatig is. De franchisegever had tijdig aangekondigd dat verlenging alleen mogelijk was bij uitvoering van een verbeterplan. Partijen bereikten daarover geen overeenstemming. Dat zij hierover hebben onderhandeld, schept geen recht op verlenging en geen gerechtvaardigd vertrouwen. De gestelde tekortkomingen van de franchisegever zijn niet komen vast te staan. De vorderingen van de franchisenemer worden afgewezen.
FRANCHISING
Een franchiseovereenkomst tussen ASICS Europe B.V. (de franchisegever) en Gnothi Seaton (franchisenemer) had een looptijd van vijf jaar en zou van rechtswege eindigen op 31 december 2023. ASICS heeft ruim vóór het einde kenbaar gemaakt dat verlenging niet zou plaatsvinden tenzij de franchisenemer substantiële betalingsachterstanden zou inlopen en aanvullende zekerheden zou stellen. Partijen hebben in 2023 meerdere keren overleg gevoerd en onderhandeld over een zogenoemd verbeterplan, maar zijn er niet uitgekomen.
ASICS stelde dat zij gerechtigd was de overeenkomst niet te verlengen omdat de franchisenemer niet aan haar redelijke voorwaarden voldeed. Gnothi c.s. betwistte dit en vorderde onder meer een verklaring voor recht dat de beëindiging onrechtmatig of onaanvaardbaar was, en dat tekorten bij ASICS zelf stonden, zoals bijvoorbeeld tekortkomingen in de informatievoorziening of onzorgvuldig handelen. Tevens werd gesteld dat de onderhandelingen over een verbeterplan voldoende basis gaven voor gerechtvaardigd vertrouwen op verlenging.
De rechtbank oordeelde dat ASICS duidelijk en tijdig had aangegeven dat verlenging niet automatisch zou plaatsvinden en dat haar voorwaarden voor verlenging redelijk waren. Dat er overleg was over een verbeterplan betekent niet dat er een verplichting tot verlenging of dat er een gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de overeenkomst wel verlengd zou worden: het bleef onderhandelingsruimte zonder vaste uitkomst. De latere mededeling van ASICS dat niet tot verlenging zou worden overgegaan, kort voor afloop van de looptijd, was gezien de eerdere communicatie niet plotseling, onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
De vorderingen van de franchisenemer om vast te stellen dat het niet verlengen onrechtmatig of onaanvaardbaar was, werden afgewezen. Ook de in reconventie gestelde tekortkomingen van de franchisegever konden niet worden bewezen. De beslissing om de franchiseovereenkomst niet te verlengen was rechtsgeldig. De vorderingen tot schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid slaagden niet. Ten slotte werden partijen in de proceskosten veroordeeld, waarbij de franchisenemer de proceskosten van ASICS moest vergoeden.