Gedaagde had zijn standpunten op een niet-beledigende manier kunnen verwoorden
26-01-2026 Print this page
De voorzieningenrechter had [gedaagde] verboden om zich in procedures bedreigend of beledigend uit te laten over (voormalig) gemeentemedewerkers, op straffe van een dwangsom van €500 per overtreding. De gemeente stelde dat [gedaagde] dit verbod in twee WOO-beroepsprocedures had geschonden door beledigende uitlatingen. [gedaagde] voerde aan dat zijn uitlatingen waarheidsgetrouw waren. De rechtbank oordeelde echter dat hij zijn standpunten neutraler had kunnen formuleren en dat sprake was van een schending van het gebod. De vorderingen van de gemeente werden toegewezen en [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van €1.000.
ONRECHTMATIGE PUBLICITEIT AANGENOMEN
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [gedaagde] onder meer een gebod opgelegd om in procedures geen bedreigende of beledigende uitlatingen over (voormalig) medewerkers van de gemeente te doen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding (zie ECLI:NL:RBNHO:2023:14161).
[gedaagde] heeft zich volgens de gemeente in twee beroepschriftprocedures WOO beledigend uitgelaten over (voormalig) medewerkers van de gemeente (zie citaten hieronder*). De gemeente vordert daarom een verklaring voor recht dat [gedaagde] het gebod heeft geschonden en een veroordeling tot betaling van twee dwangsommen á €500. [gedaagde] betwist de vorderingen en voert aan dat de uitlatingen niet beledigend zijn, omdat zij op waarheid berusten. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn standpunten op een neutralere manier had kunnen verwoorden en dat hij door zijn beledigende uitlatingen het gebod van het vonnis in kort geding heeft geschonden. De rechtbank wijst daarom de vorderingen van de gemeente toe.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] zijn standpunten in de beroepsprocedures op een niet beledigende manier had kunnen verwoorden. Gedaagde wordt veroordeeld om binnen veertien dagen een bedrag van € 1.000,00 (tweemaal € 500,00) te betalen.
* Citaten:
1. “Hoewel er in de valse aangifte van [betrokkene 1] geen spatje bewijs van smaad of laster aangedragen is geworden, hebben de schijnbaar nauw bevriende relaties bij de politie Haarlem wel een sterk beschadigende aangifte willen opnemen, waarmee de kantonrechter ter zitting op theatrale wijze ronduit besodemieterd is geworden, alsook het gerechtshof Amsterdam en eiser niet in de eerste plaats ( Nummer 12 van beide beroepschriften, toevoeging rechtbank ) (…);”
2. “Ter zitting heeft de heer [betrokkene 1] met een hoop theater en een stortvloed aan krokodillentranen de kantonrechter valselijk bespeeld en ronduit besodemieterd ( Nummer 15 van beide beroepschriften, toevoeging rechtbank ) (…)”
3. “Hierbij is het van belang te weten dat de partner van eisers leidinggevende, mw. [betrokkene 4], werkzaam is bij de politie eenheid Noord-Holland. Daarnaast is burgemeester [betrokkene 5] vanuit zijn positie in de lokale driehoek tussen gemeente, politie en OM ook bij machte om zijn autoriteit in deze hoog opgelopen ontslagkwestie, waarbij ook zijn hoogste ambtenaar – gemeentesecretaris [betrokkene 6] – nauw betrokken was, te doen laten gelden ( Nummer 22 in zaak HAA 24 / 3955 WOO en 23 in zaak van HAA 24 / 5385 WOO, toevoeging rechtbank ).”
4. (…) zodat de (…) afkeurende houding met negatieve uitlatingen hieromtrent door [gedaagde] hem duidelijk niet aangerekend mogen worden, hetgeen destijds wel op uiterst negatieve/beschadigende/kwalijke wijze gebeurd is door met name de heer [betrokkene 1], die daartoe als regisseur én auteur van de gemeentelijke brieven aan het adres van [gedaagde] verantwoordelijk gehouden kan worden. Hierbij is het ook belangrijk om te weten dat vrijwel al deze brieven van de heer [betrokkene 1] afkomstig waren en voorzien werden van een ingeplakte handtekening van deze of gene directeur waarmee zo’n brief extra (juridische) lading krijgt, doch waarbij het eiser regelmatig gebleken is dat de desbetreffende directeur geen enkele weet van zijn of haar verzonden brieven heeft gehad. Eiser ervaart dat ergens als een vorm van valsheid in geschrifte ( Nummer 23 in zaak HAA 24 / 3955 WOO en 24 in zaak HAA 24 / 5385 WOO, toevoeging rechtbank ).”