Voorlopig getuigenverhoor afgewezen, omdat opeisingsprocedure al aanhangig is
06-01-2026 Print this page
Overgangsrecht nieuw bewijsrecht in na octrooirechtelijk (opeisings)geschil. Toepassing van artikel 196 lid 1 Rv. Wilmar verzoekt om een voorlopig getuigenverhoor. Het hof oordeelt dat dit verzoek een zelfstandige procedure is waarop het nieuwe bewijsrecht geldt. Dat recht staat geen voorlopig getuigenverhoor meer toe ter bewijsgaring voor een al aanhangige procedure. Omdat de hoofdzaak al op de rol stond, ontbreekt een wettelijke grondslag. Verzoekster is niet-ontvankelijk en wordt veroordeeld tot € 2.606 proceskosten.
GETUIGENBEWIJS - VOORLOPIGE MAATREGELEN
In een procedure tussen partijen die aanhangig is bij dit hof, eist Wilmar een aantal octrooien en octrooiaanvragen in mede-eigendom op van Napiferyn (IEPT20240515). [verzoekster] heeft het hof in een verzoekschrift verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen om twee getuigen te horen.
Op de Opeisingsprocedure is het ‘oude’ bewijsrecht zoals gold tot 1 januari 2025 van toepassing, omdat de Opeisingsprocedure aanhangig is gemaakt voor die datum. Maar dat betekent niet dat het oude bewijsrecht ook nog geldt voor deze verzoekschriftprocedure.
Een verzoekschriftprocedure voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor is een zelfstandige procedure. Deze procedure kan niet worden aangemerkt als incident in de Opeisingsprocedure, noch als een procedure die anderszins een onderdeel vormt van de Opeisingsprocedure.
Anders dan onder het oude recht mogelijk was op grond van artikel 186 lid 2 Rv (oud), is het op grond van het huidige bewijsrecht dus niet meer mogelijk om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken als dat dient tot bewijsgaring voor een procedure die al op de rol is ingeschreven.
Met het verzochte getuigenverhoor bewijs wil men verzamelen ten behoeve van de Opeisingsprocedure. Die procedure was ingeschreven op de rol van het hof op 20 augustus 2024, dus voordat het verzoekschrift werd ingediend. Er is derhalve geen wettelijke grondslag voor deze verzochte voorlopige bewijsverrichting.
Verzoekster is niet-ontvankelijk en wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.606.
IEPT-versie volgt later
ECLI:NL:GHDHA:2025:2741