EHRM: Disciplinaire maatregel tegen rechter die zich op Facebook uitliet, is een schending

09-01-2026 Print this page
IEPT20251215, EHRM, DANILEŢ v. ROMANIA

Het EHRM oordeelde dat een disciplinaire maatregel tegen een Romeense rechter wegens twee Facebook‑uitlatingen een schending was van zijn recht op vrijheid van meningsuiting onder artikel 10, omdat nationale autoriteiten niet “relevant en voldoende redenen” hadden gegeven om de ingreep als “noodzakelijk in een democratische samenleving” te rechtvaardigen. 
(Red: Let op er zijn diverse interessante concurring en dissenting opinions aan dit arrest gevoegd!)

 

PUBLICATIE


Het EHRM heeft, in de zaak Danileţ tegen Roemenië, met tien tegen zeven stemmen, vastgesteld dat er een schending was van artikel 10 (vrijheid van meningsuiting) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

 

Het Hof herinnert eraan dat rechters het recht hebben, wanneer de democratie of de rechtsstaat ernstig worden bedreigd, zich publiekelijk uit te spreken over kwesties van algemeen belang. Verklaringen die in zo’n context zijn gedaan, genieten in het algemeen een hoog beschermingsniveau.


Het Hof constateert dat de door de klager gepubliceerde berichten de redelijke evenwichtsoverdracht niet hebben verstoord tussen, aan de ene kant, de mate van betrokkenheid van de klager, als rechter, in de samenleving om de grondwettelijke orde en de instellingen te verdedigen, en, aan de andere kant, zijn plicht om zijn onafhankelijkheid, onpartijdigheid en de schijn daarvan te behouden bij de uitoefening van zijn functies.


Het Hof merkt op dat het eerste bericht zag op de verdediging van de grondwettelijke orde en de instandhouding van de onafhankelijkheid van de instellingen, en dat het tweede betrekking had op de werking van het nationale rechterlijke apparaat. Beide berichten hadden betrekking op kwesties van algemeen belang waarover het publiek een legitiem belang had geïnformeerd te worden.

 

Niets van de door de nationale autoriteiten aangevoerde redenen toont overtuigend aan op welke wijze deze verklaringen de goede werking van het nationale rechterlijke systeem zouden hebben verstoord, of de waardigheid en eer van het rechterlijk ambt, of het vertrouwen dat de betrokkenen in het systeem moesten hebben.


Na beoordeling van de verschillende belangen, rekening houdend met de inhoud en de vorm van elk van de twee berichten, de context waarin zij zijn gepubliceerd en hun gevolgen, de hoedanigheid van de auteur, de aard en ernst van de hem opgelegde sanctie en het afschrikwekkende effect ervan op de gehele beroepsgroep, alsook de waarborgen tegen willekeur waarvan hij heeft geprofiteerd, acht het Hof dat de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de klager niet was gebaseerd op ‘relevante en voldoende’ redenen en dat zij niet voldeed aan een ‘dringende maatschappelijke noodzaak’.

 

De sanctie bestond uit een tijdelijk verlaging van 5% van het salaris gedurende twee maanden.

 

De nationale autoriteiten hadden de klager veroordeeld op grond van wettelijke bepalingen die hij toereikend duidelijk en voorzienbaar waren, en de sanctie had een legitiem doel (namelijk de autoriteit en onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen).


Het Hof bevestigt dat rechters niet worden uitgesloten van artikel 10, maar dat zij rekening moeten houden met een voorzichtigheidsplicht.

 

Bijgevolg was er een schending van artikel 10 van het Verdrag. 

 

Lees het arrest hier.
Application no. 16915/21