Ziggo hoeft geen proportionele billijke vergoeding af te dragen aan Amerikaanse filmmakers
04-03-2026 Print this pageOp grond van art. 45d lid 2 Aw is alleen een proportionele billijke vergoeding verschuldigd aan filmmakers die hun exploitatierechten aan een producent hebben overgedragen, niet bij licentie of dienstverband. In de VS geldt het work made for hire-beginsel, waarbij de producent als maker en rechthebbende geldt. Wie maker is, wordt bepaald volgens het land-van-oorsprong-principe; de rechtsverhouding valt onder Amerikaans recht. Daardoor is geen sprake van overdracht en bestaat geen recht op vergoeding. Ook het Unierecht, waaronder art. 18 van de DSM-richtlijn en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, leidt niet tot een ander oordeel: het vergoedingsrecht is een nationale keuze. Het assimilatiebeginsel van art. 5 lid 1 van de Berner Conventie helpt evenmin. De vorderingen van DGA worden afgewezen; zij moet € 2.209 proceskosten betalen.
Op grond van 45d lid 2 Aw moet iedereen een vergoeding betalen aan filmmakers die hun exploitatiehandelingen aan een filmproducent hebben overgedragen, dus niet een film in licentie noch als de filmmaker in dienstverband is. In de VS geldt het work made for hire-beginsel, waarbij de werkgever/opdrachtgever de auteur en rechthebbende is.
Of de Amerikaanse filmmakers recht hebben op vergoeding wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Echter de vraag wie als maker of auteursrechthebbende is te beschouwen valt onder het land-van-oorsprong-principe. De rechtsverhouding speelt zich volledig af binnen Amerikaanse rechtssfeer, de opdrachtovereenkomst is schriftelijk overeengekomen. Het beroep op overdrachtsvermoeden uit 45d lid 1 Aw slaagt daarom niet. Amerikaanse filmmakers hebben geen recht op de proportionele billijke vergoeding van artikel 45d lid 2 Aw.
Ook het Unierecht geeft Amerikaanse filmmaker geen recht op vergoeding. Er mag geen onderscheid gemaakt worden tussen Europese en niet-Europese onderdanen. Volgens Hugenholtz is het een van de door de Nederlandse wetgever gekozen instrumenten om aan de in artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn opgelegde verplichting te voldoen om een billijke en evenredige vergoeding aan de auteurs te verstrekken wanneer zij hun exploitatierechten in licentie geven of overdragen.
Volgens DGA c.s. volgt uit art. 18 van de DSM-richtlijn en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat rechten bij de maker ontstaan. De rechtbank volgt echter prof. Hugenholtz: het vergoedingsrecht is een nationale keuze. Bovendien is contractueel de producent maker en ontvangen filmmakers al een billijke vergoeding via hun Guilds.
De rechtbank oordeelt dat ook het assimilatiebeginsel uit art. 5 lid 1 van de Berner Conventie Amerikaanse filmmakers niet helpt. Dit beginsel verplicht tot gelijke bescherming van buitenlandse en nationale auteurs. Zelfs als het vergoedingsrecht hieronder valt, ontstaat geen aanspraak: alleen bij overdracht van exploitatierechten aan de producent bestaat recht op vergoeding. Daarvan is geen sprake (WMFH), zodat niet aan de voorwaarden is voldaan.
De rechtbank wijst de vorderingen van DGA af en veroordeelt in de proceskosten: €2.209.
IEPT-versie volgt later
ECLI:NL:RBMNE:2026:558