Vorderingen tot nakoming van concurrentiebeding, relatiebeding, geheimhoudingsbeding en anti-ronselbeding en de vordering tot betaling van (een voorschot op) verbeurde boetes worden afgewezen. De door eiser gestelde uitleg van de afspraken tussen partijen (waaronder de zinsneden “een nieuwe baan vinden” en “voor een organisatie werken”) is onvoldoende aannemelijk geworden.
GEHEIMHOUDINGSBEDING - CONCURRENTIEBEDING
[gedaagde] is op 1 maart 2021 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Processionals. Verschillende ondernemingen zijn in 2023 in één vennootschap ondergebracht en is gedaagde op 14 augustus 2023 bij Processionals in dienst gekomen. Daar is op 1 augustus 2023 een nieuw relatie-, concurrentie-, geheimhoudings-, antironsel- en boetebeding voor ondertekend. In februari 2025 zijn partijen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2025 overeengekomen. Met als toevoeging "Indien je een nieuwe baan vindt bij een organisatie binnen de recruitment- of uitzendbranche die uit verschillende labels bestaat, waarbij de Procesindustrie er één van is, krijg je toestemming om voor deze organisatie te werken."
Er is geen sprake van dwaling, omdat gedaagde niet wist dat hij op 1 augustus 2023 nieuwe bedingen tekende, terwijl dat in begeleidende brief stond. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit deze geheimhoudings of ronselbedingen heeft geschonden of dreigt te schenden.
[gedaagde] werd op 16 april 2025 vennoot in een vof met zijn zwager, die zich richt op recruitment voor de procesindustrie en vastgoedonderhoud. Processionals betoogt dat dit het concurrentie- en relatiebeding schendt, maar onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] zelf in de procesindustrie actief is. Het addendum en e-mail van 19 februari 2025 geven aan dat [gedaagde] bij een organisatie met een label in de procesindustrie mocht werken, ook als vennoot. Schending van het beding is niet aannemelijk.
Processionals’ vorderingen worden afgewezen.